Zwaantjes vader heeft haar in Amsterdam op de trein gezet, waarmee ze, in haar eentje tussen vreemde mensen, naar Groningen reist. Tot haar verrassing zitten op het bagagerek plotseling drie vertrouwde figuurtjes. Het zijn de drie Japies, drie kleine, bijdehandte jongetjes met wie Zwaantje vroeger altijd speelde. Niemand kan deze denkbeeldige drieling zien, maar Zwaantje wél want het zijn haar luchtkinderen. De Japies houden Zwaantje in Groningen gezelschap. Meestal zijn ze vrolijk maar ze kunnen ook heel streng tegen Zwaantje doen. Wanneer Zwaantje van haar nieuwe vriend Ricardo een t-shirt aanneemt dat hij voor haar heeft gestolen, worden de Japies echt boos op Zwaantje. Maar wanneer Ricardo later wordt opgepakt voor iets dat hij volgens Zwaantje beslist níet gedaan kan hebben, vinden de Japies dat Zwaantje dat dan maar aan de politie moet vertellen.