Heerlijk ongemakkelijk, exemplarisch verwoord in deze passage waarin een boze, oude vrouw de protagonist al dan niet onbedoeld tot een (eerste?) hoogtepunt slaat met haar wandelstok:
'Mijn ogen werden warm en vochtig, de leden wogen zwaarder en zwaarder... Ik deed ze open en dicht, maar dit maakte al geen verschil meer: ik zag alleen nog maar vlekken en tuimelende vuurbollen. Deze zalige ervaring wekte mij op maar maakte mij ook traag en loom, en onvast... Alles was anders... O, dat het maar nooit meer ophield , dat het altijd zo kon blijven... Of nee: dat het nog veel fijner zou worden, honderdmaal fijner, dat kon ook, het kon allemaal! Van genot wist ik nog haast niets, maar ik hield nu al alles voor mogelijk!'