What do you think?
Rate this book


192 pages, Paperback
First published January 1, 1939
Hij vertelde dingen, die op een verborgen en mysterieus, zij het ook weinig vergeestelijkt bestaan duidden. Hij had afgeluisterd wat zijn vader tegen zijn moeder zei in de slaapkamer en wat zijn moeder terugfluisterde. Door een kier onder een neergelaten gordijn had hij een koe zien slachten, in een schemerige slagerij, waar grote mannen – slagers – lange, scherpe haken in het koeielichaam staken. Zulke griezelige dingen verhaalde hij over de lintworm van vijftien meter, die hij was kwijtgeraakt, dat de koude rillingen hen over de rug liepen. Als ze met hem wandelden, ontdekten ze haast altijd honden, die zich opmerkelijk gedroegen; deze dieren schenen een stil verbond met hem gesloten te hebben om hun praktijken uit te stellen tot hij voorbijkwam. Hij wees hen op woorden, op muren gekrabbeld, waarbij zijn gezicht zich in ouwelijke lachplooitjes trok en zijn ogen begonnen te glimmen, als kroop er een slakje door elk der oogholten. Dat van die honden beschouwden Anton en Murk meer als een willekeurige gymnastische oefening, een soort bok-bok-stavast, – maar altijd liep Piet van Noorden dan toch maar naast hen met zijn genoeglijk besjesgezicht en zijn gefluisterd ‘Kijk dáarus!...’
Amsterdam, waarvan de sfeer tegelijk hoog, ijl en feestelijk, en zwaar en zwaarmoedig is, ondergaat men als op heipalen.
Zolang men er bovenop staat is alles goed, maar wee degene die, verlokt door de boeiende uitwasemingen dezer stad, onderduiken wil. Voor Anton bestond dit onderduiken in het ten prooi vallen aan een verveling, die zich gewoonlijk na een dag van kritiekloos geluk openbaarde; hij had dan drie of vier dagen nodig om weer naar boven te krabbelen, en bleef verder in een evenwichtige, niet onaangename, maar ook niet bijzonder prikkelende luiterstemming verkeren tot het einde toe. Misschien was het zijn bed, dat het hem aandeed, die eerste dagen. Een ochtend laat opstaan mocht schijnbaar vakantievrijheid bezegelen, in werkelijkheid was het een toegeven aan dwang, aan de dwang van het bed, dat zijn rug met weke voelarmen vastzoog en een band om het hoofd verwekte, waaran het de langslaper tot vier uur ’s middags naar zich toe wilde trekken, in zo’n slaperig uitgeslapen-zijn waren de dagen onafzienbaar, bijna zonder indeling voor enig houvast, en daardoor ook, zeer onverwacht, in een ommezien voorbij, al verveelde hij zich nog zo moorddadig.