In de toch al niet van kwaliteit overlopende reeks van Das Mag (*), gewijd aan de maanden van het jaar, is dit een nieuw dieptepunt. Zelden iemand gelezen die zo warrig schrijft.
In een recent nummer van de Poëziekrant (nr.2 van 2023), een blad dat meestal jubelend met het wierrookvat zwaait, staat het poëziedebuut van deze auteur besproken en dat wordt door Anne Van Den Dool werkelijk met de grond gelijk gemaakt. Ze schrijft: ‘Huff heeft goed afgekeken hoe poëzie eruit zou moeten zien. Je kiest een mysterieuze titel, je knipt een tekst op in losse zinsdelen en je schrijft er Romeinse cijfers tussen.’ En wat verder: ‘Lange tijd zocht ik in de voorbereiding van mijn poëzielessen naar goede voorbeelden van slechte poëzie. In teksten die anderen mij aandroegen zag ik op een of andere manier toch nog altijd een vorm van schoonheid. Er leek, voor zover ik dat van een afstand kon beoordelen, toch nog wel over nagedacht. Over de uitgave van de gedichten van Huff lijkt niemand goed te hebben nagedacht, behalve wellicht een marketingafdeling.’ (p.33)
Ik vrees dat hier iets soortgelijks aan de hand is. Huff doet heel hard zijn best om interessant over te komen, maar helaas: dit is willen, maar niet kunnen. De metaforen slaan nergens op, het rondstrooien met referenties draagt nergens wezenlijk toe bij en zijn schrijfstijl is vreselijk onelegant. Grootste zonde is vooral dat elke heldere lijn ontbreekt. En dan hebben we het nog niet eens over de inhoud gehad. (Vreselijk!) Ter illustratie een willekeurig gekozen passage: ‘Ze wilde een dochter als eerste kind, had met Richard zelfs over adoptie gesproken maar hij vond dat onzin. Dat zijn geen dingen die je kunt kiezen, had hij gezegd, maar hij was maar al te blij dat de eerstgeborene een zoon was: niemand zou vrijwillig als vrouw geboren willen worden, simpel boerenverstand, al die verkrachtingen en achterstelling – ook, sorry, de lesbies niet. Soms, als je onder de douche stond of je afdroogde, zag je het allemaal heel helder. De mensen zoals ze zijn. De wereld zoals die is, al waren die twee uitspraken wellicht hetzelfde, gezien het rentmeesterschap van de homo sapiens over de aarde. De borstel door haar haar, bodylotion in de palm, haar handen snel over haar benen. Rustiger, gezichtscrème op. En hier, merkte ze toen ze met Eline in Méribel was, doet Eline dan ook meteen haar mascara op en trekt daarna heel voorzichtig met haar handen aan haar kraagje of hals haar bovenkleding aan. Zij niet. Eerst een shirt, dan de gezichtscrème en mascara. Een beetje lipgloss. De kracht en de warmte van de haardroger op haar haar en hoofdhuid, je kunt niet anders dan denken dat als deze apparaten het zowel eenvoudiger als ingewikkelder hebben gemaakt, nietwaar?’ (p.40-41) Op dat punt in het verhaal zat de redacteur wellicht al thuis met een burn-out. Ik ben zelf ook niet verder geraakt. Na veertig pagina’s vond ik het welletjes geweest en haakte ik af.
(*) Er waren wel een aantal sterke bijdrages, zoals die van Rob Van Essen bijvoorbeeld.