De hoofdstroom van het westerse denken werd eeuwenlang gekenmerkt door een sterke subjectiviteit: het eigenmachtige subject zou vanuit rationele vermogens leven en wereld vorm en zin geven. Beheersbaarheid, maakbaarheid en zekerheid waren de trefwoorden. Met het denken van Martin Heidegger is deze cartesiaanse rationaliteit radicaal ter discussie gesteld. Het subject verschijnt niet langer als louter autonoom, maar als ‘geworpen’ in een wereld. Marc Van den Bossche noemt dit een pathos, iets wat ons al vooraf gegeven is en waarover wij niet vanuit een vermeend radicale vrijheid kunnen beschikken.
De auteur pleit voor een openstaan voor dingen die ontsnappen aan ons berekenende denken: stemmingen, het eigen lichaam, erotiek, het oor hebben voor de ander, de pluraliteit van de wereld. Denken is zoeken en tasten. We stappen in een gesprek dat al gaande was. Dat gesprek is er één over een meervoudigheid aan vormen om het leven betekenis te geven en om betekenis te verstaan die al gegeven is. Met auteurs als Martin Heidegger, Hans-Georg Gadamer, Maurice Merleau-Ponty, Hannah Arendt, Gianni Vattimo en Benjamin Barber tracht Van den Bossche instrumenten aan te reiken om dit gesprek en het continueren ervan te traceren. Met Hannah Arendt ziet hij pluraliteit als de wet van de aarde. Humanisme kan hier dan ook enkel in het meervoud gesteld worden.
Marc Van Den Bossche is a full-time professor at the Department of Philosophy and Moral Sciences at the VUB. He is the author of ‘Kritiek van de technische rede’ (‘Critique of technical reason’) (Leuven/Utrecht, 1995), ‘Natuur en lijfelijkheid’ ('Nature and Embodiment/Physicality') (Utrecht, 1998), ‘Ironie en solidarieit. Een kennismaking met het werk van Richard Rorty’ (‘Irony and Solidarity: An introduction to the work of Richard Rorty’) (Rotterdam, 2001), and ‘Het pathos van het denken’ (‘The Pathos of Thinking’). He also wrote essays on subjectivity and intersubjectivity (Budel, 2003) and two bestsellers: ‘Wielrennen’ (‘Cycling’) and ‘Sport als levenskunst’ (‘Sports as an art of living’) (Rotterdam, 2005 and 2010). He is the editor and co-editor of book volumes on Rorty, Arendt, Fukuyama and several topics within the history of philosophy. His recent research focuses on the ‘digital arts’, in particular the ontology of photography.
Opgegeven na ongeveer 30 pagina’s. Ik kan de redeneringen niet volgen, beheers het filosofische jargon niet goed genoeg (“geworpenheid”, “project”, “zijn, er-zijn, zijnkunnen”) en begrijp er, kortom, vrijwel niets van. De auteur redeneert, maar legt niet uit, trekt geen conclusies, geeft geen voorbeelden. Wie ergens afhaakt wordt daarna door hem aan zijn lot overgelaten. Dit boek is een goed voorbeeld van een wetenschap (in dit geval de filosofie) die alleen nog maar in en voor zichzelf bestaat, maar de connectie met de rest van de wereld is kwijtgeraakt. Te frustrerend om voor het plezier te lezen.
"Denken is de hoogste vorm van handelen." Dat is de eerste zin van het voorwoord. Het hoeft niet te verbazen dat ik het als marxist grondig oneens ben met nagenoeg alle nuances van de heideggeriaanse filosofie die in dit boek toegelicht worden, maar dat terzijde. Mijn score hierboven is niet op mijn tegenstelling gebaseerd. Doch vertelde het boek mij dat volgens de reflexiviteit al mijn meningen ook vertrekken uit mijn eigen in-de-wereld-zijn.
Datzelfde voorwoord sluit professor Van de Bossche af met de bewering dat hij 'zeker geen tegenstander is van een toegankelijke filosofie', maar dat 'filosofie vaak een taal nodig heeft die niet alledaags is'. Daaruit dacht ik af te kunnen leiden dat hij een middenweg zou proberen zoeken tussen de zware inhoud en de taaltwisters die eigen zijn aan de materie enerzijds; en een grondige toelichting ervan anderzijds.
Niks is minder waar. Hoewel het boek instaat als syllabus en verplichte lectuur is voor leerlingen uit studierichtingen breder dan de hardcore filosofie-geeks alleen, wordt er aangenomen dat er al een grote voorkennis is van het veld. Vaak wordt een denkstroming lukraak aangehaald zonder verklaring wat die dan wilt betekenen, of is de beschrijving ervan zo los uit de pols in een ontoegankelijk jargon dat je zelfs na 20 nalezingen alsnog moet vragen aan ChatGPT wat de auteur dan wel bedoelde.
Ik kan niet op handen tellen hoe vaak de professor letterlijk neerpent dat hij "maar niet zal uitleggen welke conclusie de lezer hier uit hoort te halen", alsof het de evidentie zelve is. Nog vaker schrijft hij, "ik hoef niet uit te leggen waarom dit contradictorisch is", of "ik hoop dat de lezer spontaan ziet dat die er [dit] over moet denken". Alsof hij het boek schrijft als dialoog tussen zichzelf en een ongenoemde derde, die wél ingewijd is. Zij lachen samen vol genoegen de student die hij dit boek verplichtte te doorgronden uit in zijn gezicht, zonder poging tot verbergen van hun zelfgenoegzaamheid. Intussen hoopt de student dat die toch maar genoeg bijna-gesnapt heeft om niet zijn slinkende voorraad studiepunten te zien wegsmelten door dit keuzevak.
Bij wijze van nawoord sluit professor Van den Bossche het boek af: "Ik besef goed dat de hier verzamelde teksten samen een taaie brok vormen." Alsof zijn besef het allemaal goed maakt. Ik vergeef hem alvast niet.
Geen tegenstander van toegankelijke filosofie? "Mijn gedacht." (B. Boma, 1990)