Τώρα λοιπόν το έχεις καταλάβει: μόνο αν κάνεις τη ζωή σου μυθιστόρημα, ανιστορώντας όσα έζησες και προσπαθώντας να τα δεις από νέες οπτικές γωνίες -κοιτάζοντας τον άλλο σαν να ήτανε ο εαυτός σου και τον εαυτό σου σαν να ήταν άλλος, κοιτάζοντας το παρελθόν σου σαν να ήτανε παρόν και το παρόν σου σαν να ήταν ακόμα για σένα μέλλον-, μόνο με αυτά και μ' άλλα τέτοια "ψέματα" ανακαλύπτεις κάποτε τη σκληρή αλήθεια της ζωής σου. Ναι είναι παράξενο, μα τώρα πια το ξέρεις: μόνο αν δεις τη ζωή σαν μυθιστόρημα, αγγίζεις τον κρυφό πυρήνα της ζωής.
Het Díkolon tussen leven en dood (Yannis Kiourtsakis, Bij wijze van roman) Terwijl Murakami’s Opwindvogelkronieken een overtuigende weerlegging vormt van mijn dood en bewijs van mijn leven (zie blog Het syndroom van Cotard als human condition, over Murakami’s Opwindvogelkronieken), bevat Yannis Kiourtsakis Bij wijze van roman een overtuigende weerlegging van een alternatieve conceptie, namelijk van de eenheid van leven en dood. Dit autobiografische boek gaat over de zoektocht van de schrijver naar zichzelf via een zoektocht naar de motieven achter de zelfmoord van zijn oudere broer. Terwijl de strategie van de schrijver is om zichzelf te zoeken via de ander (het eigene via het vreemde, leven via dood, zelf via de ander etc.), veronderstelt hij in feite de eenheid van zelf en ander, de consubstantialiteit van leven en dood. Op het eerste gezicht lijkt Kiourtsakis mijn ervaring van de onontkoombaarheid van mijn feitelijke bestaan te delen: “Wie ben ik – aangezien de eerste gewaarwording die me bij het opslaan van de ogen overvalt niet de toch al zo problematische identiteit is van wat ik ‘ik’ noem, maar het simpele feit dat ik besta, het blinde deelhebben aan het leven, dit anonieme leven dat er vóór mij al was en na mij verder zal gaan, dat altijd vol van gebeurtenissen is, ook al hebben ze zich zonder mij voltrokken en kan ik ze me niet herinneren, maar waaraan ook ik, of ik wil of niet, deelneem met mijn kleine bestaan, met mijn lichaam dat aan de andere lichamen van de wereld toebehoort, met mijn adem die dit lichaam aan de elementen en ritmen van de natuur verbindt, zelfs met mijn slaap die beetje bij beetje dit bestaan laat opgaan in de grote wereld” (24). Kiourtsakis ervaart dus de onontkoombaarheid van de ervaring van mijn naakte leven, de onmogelijkheid te ervaren dat je feitelijk dood bent. Enerzijds is mijn eindige leven grondig onderscheiden van de oneindigheid van het leven als zodanig of de wereld waaraan het toebehoort. Anderzijds is mijn leven altijd al één met het leven en de wereld waarvan het deel uitmaakt en waardoor het is gemaakt. Hij ervaart dan ook dat hij niet meer van de wereld te onderscheiden is, dat wil zeggen consubstantieel met de wereld: “Ja, deze wereld die vóór jou bestond en na jou zal blijven bestaan, is jou en ben jij nu, eenvoudigweg sinds het ogenblik dat je bestaan en je jouw zelf begint waar te nemen ” (39). Ondanks dit “ondifferentieerbaar bestaan van jouw zelf en de wereld” (39) houdt hij vast aan een onderscheid tussen zelf en wereld; jij behoort wel toe aan de wereld maar de wereld behoort niet toe aan jou. Kiourtsakis probeert die gedifferentieerde consubstantialiteit te denken als Díkolon. Díkolon is een term uit de retorica en betreft een uit twee delen (kola) bestaande zin. In het geval van het zelf wordt het Díkolon gevonden in de twee-eenheid van het zelfde en het andere, en geïllustreerd aan het voorbeeld van leven en dood: “Je eigen dode die je, of je wilt of niet, altijd in je meedraagt, zodat hij één lichaam met je vormt? De dode die van het levende een nieuw leven krijgt, maar die ook iets van zijn verloren leven aan de levende geeft?” (332) De ervaring is dus niet dat je dood bent, maar dat het leven altijd al de dood in zich meedraagt. Toch gaat die vlieger niet op. Want als jij wel aan de wereld toebehoort maar de wereld niet andersom aan jou, waarom dan zo zeker zijn dat het dode altijd een nieuw leven schenkt? “O zeker, er bestaat hier een gevoel dat me ontroert, een idee dat me interesseert; het gevoel dat wat voorbij is, misschien opnieuw tot leven komt in wat nu is, wat dood is in wat levend is, de idee dat misschien wel niets voor altijd sterft” (399). In feite laat Kiourtsakis de eenheid van zelf en ander, leven en dood prevaleren boven de grondige tweeheid van het zelfde en het andere die het Díkolon eigenlijk beduidt. Dat blijkt wanneer hij opmerkt dat “hoe bodemloos de agonie van de mens tegenover de dood ook is, leven en dood misschien in feite één zaak zijn, aangezien wat sterft in een andere vorm en op een andere manier weer verder kan leven” (412-413). Dat kan voor hem misschien wel een ontroerende gedachte zijn, maar moeten we niet zeggen dat het vooral wishful thinking getuigt en van een gevoel dat op geen enkele manier na te gaan is voor mij? Als ik de wereld toebehoor maar de wereld andersom niet aan mij toebehoort, dan moeten we het Díkolon tussen het zelfde en het andere en tussen leven en dood grondiger denken dan Kiourtsakis voorstelt, en komt pas de eenmaligheid van het leven, van mijn anonieme maar feitelijke leven dat nooit een eenheid met de dood vormt maar een weerlegging van de mijn feitelijke dood behelst, pas echt centraal te staan. (more blogs: https://vincentblok.wordpress.com/)