Le vacanze dell’infanzia, quel periodo che ritorna con la sua magica ciclicità, con le sue giornate apparentemente sempre uguali, in cui non succede nulla di raccontabile e che sembrano sospendere, nella loro uniformità, il passare del tempo. I giochi sulla spiaggia, le passeggiate sul lungomare, il gelato serale, la caccia alle zanzare, le scottature di sole, il mondo separato e serio dei bambini che guardano a quello estraneo degli adulti cogliendone le incongruenze e accettandone l’incomprensibilità. Un mondo dominato dalle Madri, quasi mitiche figure che sovrintendono ai riti, ne dettano con sicurezza i modi e i ritmi, e restano le incontrastate custodi di una felicità che non deriva da nient’altro che da un’irripetibile intensità di rapporto con il quotidiano. È da questo che nasce la nostalgia di quell’epoca, comunque sia stata, come di un paradiso perduto: quell’adesione alla vita, l’apertura al possibile, quella fedeltà all’ora e al qui che non sapremo mantenere e che ci porterà a percepire il passaggio all’età adulta come un tradimento di noi stessi e di ciò che era essenziale all’autenticità dell’esistere. Sono le vacanze al mare della sua famiglia a Ostenda che de Kuyper racconta, guardando a distanza il bambino che era e sovrapponendovi a tratti lo scrittore che è. Un Amarcord belga, popolato da figure fissate dalla lente di ingrandimento di un acuto sguardo infantile; gli anni Cinquanta di un mondo che non esiste più e che pure ci sembra così parte del nostro passato.
"I libri erano opera dell'immaginazione. Quando qualcuno gli chiedeva che cosa stesse leggendo e lui rispondeva Hemingway o Faulkner, la reazione era: - Ma non è per bambini! Non puoi capirlo! - L'osservazione gli sembrava del tutto assurda. I libri non si capiscono, i libri si leggono - parola per parola, frase per frase - e ci si immagina qualcosa. Non c'è differenza tra un libro per bambini o un altro libro. Julienne, pensi davvero che sia un libro adatto a lui? (...) Per lei esistevano solo libri più o meno belli".
Wat het boek zo aantrekkelijk maakt zijn de prachtige observaties van Eric de Kuyper, alleen al hoe hij over het zand op het strand schrijft...
"Hij hield van het strand, en op het strand was het zand. Iedere dag was het anders. Na een korte regenbui was er een bruin korstje, waaronder vandaan het witte, mulle zand tevoorschijn getoverd kon worden. Regende het een paar dagen aan een stuk door, dan werd het zand hard. Het werd weerbarstig. Je kon er als je je best deed, hele brokstukken uit houwen en die op elkaar stapelen. Het strand was dan een soort steengroeve[...] Wanneer de zon op haar heetst was en de hitte een tijdje aanhield, werd het zand zo droog en mul dat je er niet mee kon opbouwen. Elke put liep vanzelf weer dicht, elk fort zeeg ineen. Het zand was lui, wilde geen vorm aannemen [...] Hij had zo'n vakmanschap ontwikkeld, dat hij in één oogopslag en met één tastend gebaar wist wat er die dag met het zand gedaan kon worden, welk spel er vanuit het zand kon ontstaan."
In feite weet Eric de Kuyper het zand, de zon, het spel, de familie in één hand te vangen, te mengen en als één lange rij zonnige, vrije, gezellige, speelse, warme, hartverwarmende gebeurtenissen uit te strooien in zijn liefdevolle, kleurrijke, mooi gestileerde verhalen. Een genot om te lezen!
Un libro che sa di intonaco, sabbia tra i capelli (banalmente e giustamente), tovaglie pulite. Partendo da una memoria misera si ritrova l'infanzia, la consapevolezza vera di cosa fosse, una calma placida per niente ossessiva.
In dit autobiografisch boek neemt Erik de Kuyper ons mee naar zijn kindertijd vlak na de tweede wereldoorlog, waarin hij elke zomer (maar ook een deel van de winter én de paasvakantie) naar zee ging in Oostende. In grappige, heel herkenbare stukjes strooit hij zijn herinneringen rond.
Wat een mooi boek. Ik geef toe dat ik een stevige boon heb voor de zee. Mijn mooiste herinneringen uit mijn kindertijd spelen zich allemaal af aan zee. Bij Eric De Kuyper is dat ook zo. Het is geen nostalgisch boek (want nostalgie betekent toch altijd een beetje tristesse.) We volgen een jonge jongen, “hij”, Eric. Het huis in Oostende, waar het vol van leven is. Een hele hoop neefjes en nichtjes brengen er hun zomer door. De lange dagen zijn meestal helemaal gevuld met spelen. Zelfs de obligate, commerciële, strandspelen worden uitgebreid besproken. Zo herkenbaar, al gaat dit boek over “net na de oorlog”, een ietsje vroeger dan mijn kindertijd. Maar de zee is de zee. Helaas, altijd hangt er voor Eric, op de achtergrond, de dreiging van het einde van de zomervakantie. Als de jongen elk jaar in september een opstel moet schrijven, met als titel “Mijn vakantie”, zit hij steevast te zuchten en te kreunen boven het witte blad. “Niets beantwoordde aan de eisen en de verwachtingen van de schoolmeester. … Hoe moest hij uitleggen dat de zomer aan zee geen vakantie was, maar het gewone leven. Dat het naar school gaan hem daarentegen een onverdraaglijke onderbreking en verstoring van dat leven leek. Ten einde raad verzon hij maar iets, over een ijsje of zo, dat hij gegeten had. Maar fictie lag hem niet...”
Wat een fijn boek. Zonder weemoed of nostalgie beschrijft Eric Kuyper zijn zomers aan de kust van Oostende (en kort zijn winter- en paasvakantie maar De Zomer is het echte leven). De volwassenen bepalen de kaders, hij als kind vult in met een heldere en poetisch (voor volwassenen ongrijpbare) blik op de wereld.
Nostalgico e delicato, è il poetico ricordo delle estati trascorse con la famiglia in villeggiatura a Ostenda. Il racconto, partecipato e ironico, di un mondo che non c'è più, quasi un filmino in 8 mm.