Azar Gat valt met Nations de modernistische interpretatie van naties en nationalisme aan. Gat ziet noodzaak hiertoe, omdat hij vindt dat historici steeds minder kritisch omgaan met deze stroming. Het modernistische idee, zoals beschreven door Ernest Gellner, beschrijft de nationalistische staat als het resultaat van de eenheidspolitiek van moderne Europese naties na de Franse en Industriële Revoluties. Deze eerste, liberale revolutie maakte het nationale gevoel mogelijk door het introduceren van massa-onderwijs en sociale integratie. De industriële revolutie industrialiseerde en urbaniseerde de samenleving, met het resultaat de oude kleinschalige gemeenschappen te verbinden via nieuwe transportatie- en communicatiemogelijkheden en een geïntegreerde kapitalistische economie.
Gat verwerpt echter het idee dat nationalisme exclusief is voor de moderne tijd. Hij gebruikt hiervoor Gellners eigen, nauwe definitie van een natie als ‘a rough congruence between culture or ethnicity and state.’ In tegenstelling tot Gellner trekt Gat hieruit niet de conclusie dat de natie exclusief is voor de moderne tijd. Gat beweert dat ook premoderne volken ‘liefde en devotie’ voelden voor hun etnopolitieke gemeenschappen, en wanneer deze gemeenschap met de staat samenvalt, dit nationalisme genoemd mag worden. Gat beweert dus niet dat in elke premoderne staat nationalistische gevoelens dominant zouden zijn, maar betoogt dat in sommige premoderne staten deze gevoelens wel al bestonden. Een voorbeeld hiervan is het Macedonië van Filip II. Gat omschrijft eenheid tussen koning, aristocratie en volk en noemt Macedonië zelfs een ‘remarkably egalitarian, participatory, almost citizen state.’ Gat wil laten zien dat de Macedoniërs en hun staat op een nationale eenheid rustte.
Echter, Gat verruimt zijn mogelijkheden nog door te stellen dat nationalisme tevens gevoeld werd in multi-etnische staten, namelijk door het meest dominante volk (staatsvolk), of zelfs door kleinere volkeren binnen het rijk, die een begunstigde of speciale status genoten. Voorbeelden van staatsvolken zijn de Castilianen in de personele unie van de Kronen van Castilië en Aragon, en de Engelsen in het Verenigd Koninkrijk. Een voorbeeld van een volk met een speciale status waren de Catalanen, die tot 1640 een lagere belasting betaalden. Toen dit ongedaan gemaakt werd, riepen ze onafhankelijkheid uit: de Catalanen voelden behoefde aan een eigen staat. In het Verenigd Koninkrijk waren dit de Schotten, die in 1320 onafhankelijkheid van Engeland aanvroegen bij de Paus, in de Declaration of Arbroath, met de woorden ‘Scottorum nacio.’ Deze claim was niet gebaseerd op een dynastiek geschil, maar op gronde van hun eigen, andere geschiedenis: dit geeft aan dat het een identiteitskwestie was.