Johannes Cornelis (Jan) Arends (1925-1974) wrote a small body of work that consists of prose and poetry. On the day his collection 'Lunchpauzegedichten' (Lunchbreakpoems) was published, he committed suicide by jumping out the window of his room in Amsterdam. Arends suffered of depressions for most of his life, about which he wrote in Keefman (1972) one of the most impressive testimonies. When he was not staying in psychiatric hospitals, Arends worked alternately as a writer, a copywriter for advertising agencies and as a servant for older women.
In his prose and poetry a suffocating and desolate atmosphere are combined with an unique wit. In autobiographical pieces, he writes about his youth, including the Catholic boarding school where he lived from the age of thirteen. In 1984, ten years after his death, his Collected Works was published. A tribute to a great writer who knew how to evoke strong reactions with his readers.
Deze bundel werd uitgegeven na de zelfmoord van Jan Arends, maar zou nog door hemzelf samengesteld zijn: "...prozateksten die, gezien de aard van de kopij, door de schrijver voor publikatie waren bedoeld" aldus de uitgever in de verantwoording van de editie van 1974.
Cultfiguur, schrijver, zoekende ziel, worstelende mens en psychiatrisch patiënt: Jan Arends was het allemaal. Zijn verhalen zijn doorspekt met autobiografische elementen, dus ook in deze bundel maak je kennis met opgroeien in armoede, angst voor sociale uitsluiting, honger en bestaansonzekerheid. Soms schrijft Arends die als interne monoloog uit, met soms vreemde, soms fascinerende gedachtesprongen, dan weer krijgen we personages en dialogen.
Arends heeft een vlotte pen, schets zijn situatie helder en confronterend en heeft (soms) een speels gevoel voor (zwarte) humor. Ideaal als kennismaking, deze bundel.
Citaat: "Maar het kan ook zijn dat alles op een misverstand berust. Want is het wel waar dat ik ooit een moeder heb gehad? Als iemand er mij naar vraagt dan kan ik niets anders zeggen dan dat ik uit duisternis ben voortgekomen. Er is af en toe een lamp in mijn leven. Er staat ergens een bed. Maar dat bed hoeft er niet te staan. Er is mij geen bed meegegeven bij mijn geboorte en er is niets dat vanzelfsprekend is."
Dit boekje is een prachtige, onmisbare toevoeging op "Keefman" (dat natuurlijk de belangrijkste bundel van Arends' proza blijft). Wat Arends met taal en vertelling doet, is zeldzaam in de Nederlandse letteren. "Soms is een droom maar half waar en dubbel boos" (p.24). Frasen waar je op blijft kauwen. In het nawoord bij deze editie (2014) schrijft Maartje Wortel dat ze ophield zinnen te onderstrepen toen ze merkte "dat ik het hele boek aan het onderstrepen was" (52). Amen: bijna iedere zin bevat parels of muren, een stomp in je buik of een wervelwind in je hoofd.
Verhalenbundel die in 1974 na Arends’ overlijden verscheen. Vooral het merkwaardige titelverhaal valt op. Jan Arends kon bij vlagen behoorlijk geestig zijn.