Jump to ratings and reviews
Rate this book

Geschiedenis van antiquariaat en bibliofilie in België

Rate this book
Nergens in Europa zijn, naar verhouding, zoveel bibliofielen te vinden als in België. En dat aan weerszijden van de taalgrens! Maar de aanwezigheid en vooral ook de inhoud van de Belgische particuliere boekencollecties lijken een goed bewaard geheim. Vandaar dat Piet J. Buijnsters na zijn Geschiedenis van het Nederlands antiquariaat (2007) en Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie (2010) de blik nu zuidwaarts richt.

De Geschiedenis van antiquariaat en bibliofilie in België (1830-2012) is het eerste overzichtswerk op dit gebied. Dankzij gedegen speurwerk biedt het boek ruimschoots zicht op de ontwikkeling van het Belgische antiquariaat en particuliere verzamelingen. Het laatste deel introduceert een nieuw element: talrijke interviews met antiquaren en bibliofielen bieden ons een inkijkje in deze verder zo gesloten wereld. Meer nog dan de vorige boeken van Piet J. Buijnsters mag dit boek pionierswerk worden genoemd. Volledigheid mag daarom niet worden verwacht, maar de Geschiedenis van antiquariaat en bibliofilie in België is een avontuurlijke verkenning op het grotendeels braakliggende terrein van de Belgische bibliofilie.

445 pages, Hardcover

First published January 1, 2012

2 people are currently reading
1 person want to read

About the author

Piet J. Buijnsters (1933) is emeritus-hoogleraar achttiende-eeuwse literatuur aan de Universiteit van Nijmegen.

Ratings & Reviews

What do you think?
Rate this book

Friends & Following

Create a free account to discover what your friends think of this book!

Community Reviews

5 stars
1 (16%)
4 stars
2 (33%)
3 stars
2 (33%)
2 stars
1 (16%)
1 star
0 (0%)
Displaying 1 - 2 of 2 reviews
Profile Image for Timo.
126 reviews1 follower
February 12, 2022
Het boek dat Piet Buijnsters intussen bijna tien jaar geleden afleverde, was pionierswerk. Dat verkondigt ook de achterflap: de (geschiedenis van de) Belgische bibliofilie is een 'grotendeels braakliggend terrein'. Bijgevolg mag van het boek geen 'volledigheid' worden verwacht. Als de lezer dat misschien wél zou verwachten, is dat weliswaar te danken aan de opbouw van het boek zelf. Het is namelijk wat ik – misschien al te neerbuigend – een fichebakboek zou willen noemen.

In deze Geschiedenis presenteert de auteur vooral de door hem verzamelde informatie. Het boek bestaat namelijk uit kleine stukjes, zoals biografietjes van bibliofielen, typeringen van verenigingen en interviews met boekverkopers en -verzamelaars. De samenhang is beperkt. Na tien hoofdstukken volgt een 'terugblik', dan een beschrijving van de Belgische Beroepskamer van Antiquaren en tot slot de al vermelde gesprekken. Door deze gefragmenteerde opbouw worden lacunes snel duidelijk. Niet dat ik de keuze voor deze aanpak niet begrijp. Dat bronmateriaal slechts pover bewaard bleef, is een ernstige hindernis die Buijnsters moest overwinnen. Niettemin lijkt het me dat hij een te gemakkelijke keuze maakte.

Met al zijn kennis en ervaring had Buijnsters volgens mij een meer programmatorisch boek kunnen schrijven, waarin hij synthese in de chaos probeert te scheppen, vragen opwerpt en duidelijke lijnen uitzet voor verder onderzoek. Hij had bijvoorbeeld ook zijn onderzoek in een ruimere context kunnen plaatsen. Voor de vroegste verzamelaars heeft het werk van Tom Verschaffel over achttiende-eeuwse historici waarde, terwijl Liesbet Nys negentiende-eeuwse museale privéverzamelingen heeft onderzocht. Dergelijke literatuur werd echter niet geraadplaagd. Misschien is het terrein dus toch net iets minder braakliggend?

Wat Buijnsters schreef, is hoofdzakelijk een verzameling van beknopte stukjes. Deze zijn soms wat te weinig gedetailleerd, zodat het me al te vaak onduidelijk is waarom een bepaald figuur eigenlijk aan bod komt, of waarom op die plaats. Zeker in de eerste hoofdstukken is de verdeling van alle 'lemma's' over de verschillende hoofdstukken haast arbitrair. In plaats van 'Nederlandstalige' en 'Franstalige' bibliofilie te scheiden, hadden misschien andere contrasten verkend kunnen worden. Zo bestonden er blijkbaar aan het begin van de negentiende eeuw bibliofiele 'geleerdenbibliotheken' (zoals die van Jan Frans Willems) naast 'gefortuneerde megaverzamelaars' (zoals de collectie van Charles Van Hulthem). In welke mate verschillen deze twee types van het exquise boekenbezit van rijke industriëlen omstreeks 1900?

Veelzeggend vind ik de manier waarop de befaamde Fortsas-hoax in dit boek aan bod komt. Ze dient slechts om Renier Chalon te typeren. Bood Chalon met deze grap ook net niet een unieke inkijk in de toenmalige bibliofilie? Ook elders gaat Buijnsters aan onthullende anekdotes voorbije. In 1826 kreeg de Kortrijkse bibliofiel Jacob Goethals-Vercruysse bijvoorbeeld een brief met de vraag op zoek te gaan naar Van Hulthem, die niet in Den Haag of Brussel te vinden was. 'Faites voir dans toutes les bibliothèques, dans toutes les ventes, dans tous les cabinets, dans tous les jardins, et peut-être le saisirez-vous', luidt het, een citaat dat in 1988 werd aangehaald in de catalogus van de aan Goethals-Vercruysse gewijde tentoonstelling. Ook deze opsomming lijkt me erg relevant: niet alleen bibliotheken, maar ook kabinetten en tuinen konden Van Hulthem aantrekken.

Al te zeer probeert Buijnsters de bibliofiele interesse van de door hem behandelde personen af te scheiden van hun andere liefhebberijen en bezigheden. Zo schrijft hij opmerkelijk vaak dat een of andere privébibliotheek eigenlijk géén 'bibliofiele' verzameling is. Wat dat dan betekent en of 'bibliofilie' ooit een andere betekenis kreeg, laat Buijnsters onbehandeld. Toch lijkt er weldegelijk een evolutie te zijn geweest. Om een voorbeeld te geven: de voor dit boek geïnterviewde bibliofielen zijn niet erg happig om hun verzameling aan anderen ter beschikking te stellen. In de negentiende eeuw werd dergelijke openheid daarentegen als een deugd beschouwd. 'Je vous félicite de la nouvelle acquisition que vous venez de faire d'un précieux MSS. du 16e siècle. Personne mieux que vous, Monsieur, ne peut en faire bon usage, puisque vous ne possedez un objet curieux, que pour en faire part à vos amis', schreef een Gents historicus in 1812 aan Goethals-Vercruysse.

En wat met de emoties van het verzamelen? Ik denk dan onder meer aan vragen als 'wat is verzamelwaardig?' of zelfs 'wat is verzamelbaar?'. Of wat met de vreugde van een bijzondere ontdekking? Buijnsters haalt enkele mooie voorbeelden aan – Goethals-Vercruysse die voor 32 cent een xylografische uitgave kan kopen van een kruidenier, Gilbert Huybens die liedboekjes uit een kloosterbibliotheek kan redden, … – maar doet daar opnieuw weinig mee. Hetzelfde geldt voor de teleurstelling als iets niet kan worden bemachtigd: hoe groot de vrees in België was voor kapitaalkrachtige kopers uit Engeland en Amerika komt volgens mij te weinig aan bod. Ook het einde van een verzameling had meer aandacht kunnen krijgen – sterft zij met haar verzamelaar? Op het kruispunt van dergelijke vragen vindt men de fictieve Fortsas-veiling: ook vandaar mijn teleurstelling over de rol die daaraan wordt toegekend door Buijnsters.

Een belangrijk deel van het boek bestaat uit de gesprekken met antiquaren en verzamelaars. Zij zijn niet allemaal even informatief. Buijnsters is geen Joos Florquin of Godfried Bomans – en zijn gesprekpartners vaak niet erg praatgraag. De meest zwijgzame van allemaal, Tristan Schwilden, leverde wel de meest geslaagde typering op. Rik Van Cauwelaert heeft dan weer de meest losse tong, wat voor een journalist natuurlijk niet verrassend is. Zoals Van Cauwelaert zelf aangeeft, is het in zijn gezin echter zijn vrouw die zich vooral met de boekverkoop bezighoudt: waarom kon deze vrouw dan niet worden geïnterviewd? De gesprekken bevatten hoe dan ook behoorlijk wat losse eindjes. Zo heeft Werner Waterschoot de aandacht gevestigd op de niet voor de handel bestemde luxe-uitgaven die in de negentiende eeuw verschenen, volgens hem een uiting van een toenmalige Vlaamse bibliofilie. Waarom komt deze lange traditie van doelbewuste uniciteit in de eigenlijke geschiedenis van Buijnsters dan niet meer aan bod? (*)

Buijnsters schreef vooral een deftig boek van statige heren, waarmee kan worden uitgepakt. 'Fetisjisme' – of eventueel deftiger: 'bibliomanie' – heeft in het boek dan ook nauwelijks een plaats, maar loert bij bibliofilie niet altijd de buitensporigheid om de hoek? Daar hint Buijnsters slechts aan. 'Nog niet geruïneerd?' kreeg de schatrijke Charles Victor de Spoelberch de Lovenjoul blijkbaar af en toe te horen. Verder dan dat gaat de 'avontuurlijke verkenning' (dixit de achterflap) niet. Enkel in het zesde hoofdstuk, over de Brusselse antiquariaten, lijkt Buijnsters werkelijk diep te graven. Het is volgens mij het beste hoofdstuk.

Laat het weliswaar duidelijk zijn: ik vind dit een mooi boek. Buijnsters weet natuurlijk hoe hij moet schrijven; hij is beslagen en belezen genoeg. Het boek is verzorgd vormgegeven en rijkelijk geïllustreerd, al is er wel een opmerkelijke fout gebeurd. Een tekening van de boekenwinkel uit Museum Plantin-Moretus wordt gepresenteerd als een honderd jaar geleden afgebroken antiquariaat (p. 190). Wie zich daar niet te veel aan ergert, zal heel wat leesplezier beleven. Buijnsters biedt in ieder geval genoeg stof tot nadenken.

---

(*) De briefwisseling van Jules de Saint-Genois biedt enig inzicht in de bibliofiele praktijk van gecreëerde zeldzaamheid zoals deze in de negentiende eeuw bestond. In 1836 schonk hij aan Frédéric Hennebert een exemplaar van 'Charles et Elegast, ancien roman flamand, traduit par le soussigné' op violet papier. 'Note importante pour vous, il n'y a que six exemplaires imprimés sur papier de couleur', merkte de Saint-Genois op. Hennebert was er vast blij mee, maar bij de beroemde bibliofiel Charles Nodier maakte een gelijkaardig cadeau van de Saint-Genois minder indruk. Toen de Saint-Genois een Parijse veilingcatalogus doorbladerde, herkende hij namelijk het boek op gekleurd papier dat hij Nodier had geschonken. Hij kocht het dan maar terug voor 10 frank: 'Ne faut-il pas augurer de là que si j'avais offert à Ch. Nodier 10 fr., il les eût acceptés aussi bien que mon livre. Amen.'

Of een ander voorbeeld. Jules Borgnet liet in 1851 acht exemplaren van zijn Promenade dans la ville de Namur op geel papier drukken. Een van deze brochures schonk hij aan baron Goswin de Stassart, want: 'Je sais que vous aimez ces raretés.' De bibliotheek van de Stassart werd nagelaten aan de Académie royale de Belgique, maar de Promenade ging een andere weg. Het zit nu namelijk in de Bibliothèques de l'Université de Namur.
Profile Image for Jacques.
493 reviews9 followers
August 12, 2014
Mooi geïllustreerde en van vele noten voorziene geschiedenis van het antiquariaat en bibliofilie in België. Met veel aandacht en belangstelling gelezen. Helees, de foute soms onvolledige, meestal weinig kritische informatie over hedendaagse, gekende antiquariaten storen dermate dat ook de overige gegevens in vraag kunnen worden gesteld.
Displaying 1 - 2 of 2 reviews

Can't find what you're looking for?

Get help and learn more about the design.