Registerkaarten spelen in De laatste Griek een belangrijke rol: ze zijn het boek. De kaarten bevinden zich in een houten kistje dat Efi Kezdoglou van haar broer Kostas erft. Zij staat ze af aan de schrijver met het verzoek om ermee te doen wat hem het beste voor de inhoud lijkt. De kaarten blijken het nieuwe supplement te bevatten van De Encyclopedie van vertrokken Grieken, geschreven door Kostas. Hoewel alle andere delen van de encyclopedie gewijd zijn aan de lotgevallen van diverse, overleden ge���migreerde Grieken, is dit supplement gewijd aan slechts ������n Griek: Jannis Georgiadis, geboren 6 januari 1943 in ���no Potami���.
Er zullen weinig schrijvers zijn, of ze nu Kostas Kezdoglou heten of Aris Fioretos, die niet blij zijn met een hoofdpersoon als Jannis. Zijn echte vader is de zoon van de enige dove gebedsomroeper van Smyrna, hoewel Jannis daarvan zelf niet op de hoogte is, net zomin als zijn vader en grootvader. Despina, zijn grootmoeder en wel op de hoogte, vlucht in 1922 met haar zoon weg uit Smyrna. Dat is maar goed ook, want als zij was gebleven had ze ongetwijfeld hetzelfde lot ondergaan als 100.000 andere Grieken in Turkije en was dit supplement nooit of in ieder geval niet zo verschenen. Zij komen na een lange, barre tocht aan in het hooggelegen piepkleine ���no Potami���, in het Macedonische deel van Griekenland en het is daar dat Jannis, jaren later, wordt geboren. Hij erft gelukkig niet de hazenlip van zijn vader, maar beschikt wel over een prachtig Robert Mitchumkuiltje in zijn kin. En over muggen in zijn hoofd: moeilijke vragen waarop hij het antwoord graag zou willen weten, zoals 'Kan je de tijd aanraken?' of 'Zou het kunnen dat de hemel een gaatje heeft' of 'Wanneer krijg je genoeg van alles wat je niet hebt?'.
Het leven in het kurkdroge gebied waar het water wordt bezorgd door de Apocalypse en zijn ezel, maakt dat de jonge Jannis het plan opvat om waterbouwkundig ingenieur te worden. Hij droomt erover om het water in Macedoni��� te gaan revolutioneren. Dat zou hem ongetwijfeld ook gelukt zijn, als Jannis iets meer dan een paar maanden naar school had kunnen gaan. Helaas loopt het op tragische wijze anders. Hoe weinig tijd hij ook op school doorbrengt, het is lang genoeg om Kostas en zijn zus Efi te leren kennen en met hen bevriend te raken. Efi is de eerste van het drietal die naar Zweden vertrekt. De medische voorzieningen in Griekenland zijn na twee vergeefse pogingen onvoldoende gebleken om de aangeboren afwijking aan haar heup te verhelpen en in Zweden kan men haar wel helpen. Kostas volgt enige tijd later, nadat hij dienst heeft gedaan in het leger en uiteindelijk emigreert ook Jannis. Hij vindt het vreselijk om zijn moeder, grootmoeder en Maja de geit achter te laten, maar hij heeft geen keuze; in Griekenland is nergens werk te vinden. Er zit dus niets anders op dan naar het buitenland te gaan en daar werk te zoeken. Het leven in Zweden valt Jannis, ondanks zijn positieve instelling en onverzettelijke wil om te slagen, niet mee. Zijn anker, dat kleine dorpje in Griekenland, trekt te hevig en hij besluit terug te keren. Op weg naar ���no Potami���, in Zagreb, gaat het dan helemaal mis.
Het verhaal over Jannis wordt niet chronologisch verteld: Aris Fioretos volgt de registerkaarten over Jannis in het houten kistje van Kostas, hoewel die kaarten in een volstrekt willekeurige volgorde gerangschikt zijn. Maar Fioretos is ervan overtuigd dat Kostas dat met opzet zo heeft gedaan, om aan te tonen dat alle chronologie���n relatief zijn. Het resultaat is dat het lezen van dit boek vergelijkbaar is met het leggen van een puzzel waarvan je vooraf nauwelijks of niet weet wat het eindresultaat is. Elke registerkaart is een puzzelstukje en met elk puzzelstukje wordt een herinnering van Kostas aan Jannis vormgegeven. In hoeverre Jannis zichzelf zal herkennen in deze biografie is maar de vraag, maar dat doet er niet toe, want zoals Jannis zelf zegt: het is aan elk mens persoonlijk hoe hij zich anderen het liefst herinnert.
Het is een verrassende en intrigerende wijze van vertellen en het werkt prima omdat je steeds nieuwsgieriger wordt naar het eindresultaat naarmate er meer stukjes op hun plek komen te liggen. Niet alleen omdat Kostas' Jannis een heerlijke persoon is om te leren kennen, maar ook omdat Kostas zijn herinneringen zo prachtig en origineel heeft vormgegeven. Het boek ���s Jannis: grappig, triest, verbazingwekkend, meelijwekkend, lief, soms een tikje irritant, bombastisch en eigenwijs, maar nooit vervelend. De laatste Griek is echter niet alleen maar Jannis, het is alle Grieken. De 1/1, de 1/0 en de 0/0 Grieken, verdreven door armoede en dictatuur van huis en haard op zoek naar werk in een vreemd land, geplaagd door heimwee, omringd door mensen die je regelmatig niet begrijpt en die jou niet begrijpen.
KIND: Waarom kauw jij altijd op lucifers? Dat zijn toch geen tandenstokers?
GRIEK: (met een halfvol glas in zijn hand): Helden roken niet.
ANDER KIND: Maar je drinkt. Doen helden dat wel?
ZELFDE GRIEK: (met een leeg glas in zijn hand): Soms helden zij zijn geen helden maar alleen verdrietig.