Het tijdschrift Meander noemde de debuutroman van Emily Kocken ‘Witte vlag’ kort na publicatie in 2013 een intelligente ontregelende roman. Ik snap waarom Meander-recensent Joop Leibbrand er deze kwalificaties aan heeft gegeven. Mijn leeservaring heeft ook andere tinten.
Van hoofdstuk nul tot pagina 100 dacht ik: waar gaat dit heen? Van pagina 100 tot pagina 200 dacht ik: wat een oeverloosheid in de conversaties tussen het duo hoofdpersonages, zoals daar zijn: Elzbieta Rozewiecz en Henry Theodore Watson. Derde personage is de hond van het stel. Ik had daarbij de term ‘gewauwel’ in gedachten. Elzbieta, nu Elizabeth, is van Poolse afkomst, opgegroeid in Berlijn en sinds 1999 in Amsterdam wonend. Henry is een uit Amerika afkomstige beeldend kunstenaar. Ik geef meteen toe: auteur Emily Kocken strooit met prachtige zinnen, gedichten, zij mengt Duits in de gesprekken. Haar taligheid heeft een poëtische inslag. Dat stemt tot nadenken over betekenissen van het proza, soms meerduidigheid of gelaagdheid. Kocken maakt, inhoudelijk gesproken, zo tussen de tamelijk plotloze regels door, opmerkzaam op de gedachtenwereld van een beeldend kunstenaar op een manier die niet geheel van ironie of sterkere gradaties van spot ontbloot is. Dat is een van de gewrichten waarrond de roman zich wentelt. Hopelijk ten overvloede zij vermeld dat Emily Kocken behalve schrijfster tevens beeldend kunstenaar is.
Goed, het voorgaande heb ik geschreven toen ik halverwege de roman was. We zullen zien of en zo ja wat voor ontwikkeling de romancière voor de lezer in petto heeft. JM 8 maart 2025.
Nu, 16 maart 2025, is lezing van de roman voor mij ten einde. Mijn waardering heeft een heel klein zetje gekregen in positieve richting. Emily Kocken heeft gaandeweg steeds meer weten te benadrukken hoe haar hoofdpersonage (niet de hond) denkt over conceptuele kunst. En het is waarschijnlijk mede omdat ik daarover een vergelijkbaar negatief standpunt heb, dat ik ertoe gekomen ben om van de 2,5 ster 3 sterren te maken. Ten aanzien van beeldende kunst zie ik het zó, dat naarmate eigentijdse beeldende kunst meer uitleg nodig heeft om voor de leek tot een minimaal begrijpen te komen, de intrinsieke kwaliteit ervan omgekeerd evenredig minder is. JM 16 maart 2025.