Net als “Ze kwam uit Marioepol” van Natascha Wodin behelst “Wat mama niet vertellen kon” van Marcel Maassen het verslag van een speurtocht, van een onderzoek naar de levensgeschiedenis, in casu met inbegrip van de identiteit, van een overleden moeder. In ruimer verband hebben beide boeken eveneens veel met elkaar gemeen, en ook doen ze niet voor elkaar onder voor wat betreft mijn algehele waardering. Zo typeerde ik eerder Wodins boek al met al als ‘een indrukwekkend werk dat ongetwijfeld zal beklijven, een werk waarin familie- en wereldgeschiedenis mooi met elkaar zijn vervlochten’, welke typering evenzeer opgeld doet voor “Wat mama niet vertellen kon”.
Waar het gaat om de bevindingen die de onderzoeksinspanningen in kwestie hebben opgeleverd wil ik op deze plaats niet al te zeer uit de school klappen, ook niet vergelijkenderwijs, maar voor wat betreft de beschrijving van het onderzoeksproces kan dat geen kwaad. In beide boeken blijken onder meer allerlei ‘tastbare’ instanties, archieven, literatuur en particuliere personen belangrijke databronnen te zijn geweest, maar minstens zo vruchtbaar was toch het veelvuldig en langdurig raadplegen van internet en het opdoen, actief zowel als passief, van contacten die het onderzoek vooruit hielpen.
Hierbij onderscheidt “Wat mama niet vertellen kon” zich van “Ze kwam uit Marioepol” in die zin, dat (auteur) Maassen als onderzoeker veel prominenter aanwezig is dan (auteur) Wodin, die bij het leeuwendeel van de digitale onderzoeksactiviteiten veeleer als een soort opdrachtgever lijkt te hebben gefungeerd. Zo weet Maassen heel concreet en direct de werkwijzen uit de doeken te doen die hij heeft gevolgd – alleen, dan wel samen met Cyrilla van der Donk, de vrouw die zijn hulp heeft ingeroepen bij haar zoektocht naar de identiteit en de levensgeschiedenis van haar moeder. Het mag dan honderden bladzijden lang een mysterie blijven welk bloed er stroomt door de aderen van Cyrilla, de lezer komt er al snel achter dat dat bij Marcel Maassen in min of meer substantiële mate het bloed van een onderzoeker moet zijn: hij stelt zich vragen, onderzoeksvragen, en denkt af en toe in termen van hypothesen en zelfs het belang van weerlegging daarvan. Sterker nog: hij lijkt zonder meer plezier in te hebben in het doen van dergelijk onderzoek. Op pagina 266 van het boek vraagt hij zich af wat hij zou moeten gaan doen als de klus van “Wat mama niet vertellen kon” eenmaal geklaard is, solliciteren bij de redactie van het tv-programma ‘Spoorloos’ of zijn diensten aanbieden bij de recherche. De politie, me dunkt dat zou nog niet zo gek zijn voor hem: met enige professionele kennis van zaken dienaangaande meen ik te mogen stellen dat Maassen prima zou kunnen functioneren binnen het vakgebied van de criminaliteitsanalyse – al is het maar omdat daar altijd weer behoefte zal zijn aan medewerkers die een opdracht of probleem weten te vertalen naar een aantal goede onderzoeksvragen.
Waar “Ze kwam uit Marioepol”, na een openingsdeel dat de lezer niet meteen bij de kladden grijpt, allengs interessanter wordt, is bij “Wat mama niet vertellen kon” tot op zekere hoogte het omgekeerde het geval. De zoektocht van Maassen en Van der Donk wordt ‘van acquit’ (wie speelt er nog biljart?) vlot en meeslepend beschreven, en het is pas een paar honderd pagina’s verder dat ik het allemaal wat lang vond gaan duren en méér van hetzelfde begon te vinden. Hoe dan ook mogen de lezers van Marcel Maassen hem dankbaar zijn dat hij zijn plannen om eindelijk eens zijn derde roman te schrijven opschortte of opgaf, teneinde de levensgeschiedenis van de in 2015 op 87-jarige leeftijd overleden moeder van Cyrilla van der Donk zo goed mogelijk uit te gaan pluizen en op papier te zetten. Aan het lezen van die roman had ik vast niet meer genoegen beleefd.