Een oude vrouw is uitgegleden in bad en kan er op eigen kracht niet meer uit. Haar geroep om hulp wordt niet gehoord. In de bange uren (wellicht dagen) die ze in de steeds verder afkoelende badkuip doorbrengt komen herinneringen boven aan aangrijpende gebeurtenissen in haar leven: een tragische zelfmoord, de dood van haar kind, en het gruwelijke levenseinde van een van de pastoors in het dorp. Naarmate de tijd verstrijkt neemt haar desoriëntatie toe en wordt de kans dat ze bevrijd wordt alsmaar kleiner.
Het badhuis is een aangrijpend en tijdloos verhaal over de onontkoombaarheid van veranderingen en verval. Een oude vrouw overdenkt in een uiterste benarde positie haar hele leven. Zal ze op tijd gevonden worden? Had ze anders moeten leven?
De bejaarde Marie woont boven een negentiende-eeuws badhuis dat al lang zijn openbare functie verloren heeft en dat ze dus helemaal voor zich heeft. Wanneer ze op een dag uitglijdt in bad en niet meer rechtop geraakt, is ze daardoor aan zichzelf overgeleverd. Liggend in bad, verkillend en zichzelf bevuilend denkt Marie terug aan haar verleden. Aan het recente, en haar vrees om net als zoveel van haar generatiegenoten in een bejaardentehuis te belanden, maar ook aan het verre, aan haar weduwschap op haar zesentwintigste en de drie pastoors wiens huishoudster ze daarna is geworden. Kisling legt sterk de nadruk op de parallellen tussen Maries krimpende wereld en die van de kerk. Het tijdperk van beide is voorbij en Marie beseft dat ze veel gemist heeft in het leven, deels door omstandigheden, maar ook door haar eigen trots en schuldgevoel. De redenen voor dat laatste kom je geleidelijk aan te weten, wanneer ze totaal verzwakt vertelt over haar grote tragedie. En die is niet zo katholiek, want ze leidde tot een zelfmoord. Het badhuis is een kleine, breekbare roman zonder enige pretentie, die een oprecht beeld schetst van een bejaarde vrouw die op het einde van haar leven tot inkeer komt.