Het verhaal speelt zich af kort na de 2e Wereldoorlog in Nederland.
Serline is een kinderloze Joodse weduwe. Ze heeft de oorlog overleefd. Haar man niet. Door de overheid krijgt ze een huis toegewezen. Hierin neemt ze haar tante Judit op, ook een weduwe, en haar nicht Roza, wiens verloofde ook niet terugkeerde na de oorlog. De Joodse overlevenden van WO II zijn al hun vroegere bezittingen kwijt. Enkel Roza werkt. De vrouwen hebben het dus niet breed. Het is Serline die voor alles en iedereen zorgt. Hun grootste geluk kennen de drie vrouwen als in de zomer de kleine neefjes en nichtjes komen logeren. Hier kijken ze alle drie naar uit.
Hoewel ze allen een traumatische tijd achter de rug hebben, straalt de manier waarop het verhaal beschreven wordt een grote rust en vredigheid uit, vind ik. De omgeving, het huis, de gebeurtenissen, worden gedetailleerd beschreven. Grote gevoelens worden niet geuit. Het is alsof ze alles uit het verleden bedekt willen houden, om hun verlies en het leven daarna aan te kunnen.
Dit boek laat de lezer, zonder sensatie en drama, toch voelen hoe hard het leven moet geweest zijn voor mensen die oorlog, kampen of onderduiken overleefden maar verder door het nazi regime alles verloren. Heel sterk vond ik dit.