He was a typograph and a lecturer on typography at the Vakschool voor Kunstambachten in Antwerp. From 1947 until his death in 1982 he became a member of the Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. From 1960 until 1976 he held the position of secretary of the academy in Ghent.
His writings are autobiographical, and generally concern his failed marriage and his lost youth. He wrote both poems and prose. His most reknown work is the novel 'Elias of het gevecht met de nachtegalen' (Elias or the Struggle With the Nightingales).
He received a number of nominations and awards for his works:
1980 - Award: 'Prijs der Nederlandse Letteren' 1972 - Award: 'Driejaarlijkse Staatsprjs ter bekroning van een schrijverscarrière' 1969 - Award: 'Emile Bernheimprijs / Prix Littéraire Emile Bernheim' 1969 - Award: 'Constantijn Huyghensprijs' 1939 - Nomination: 'Driejaarlijkse Staatsprijs voor romankunst', for Elias of het gevecht met de nachtegalen 1938 - August Beernaertprijs, voor Elias or the Struggle With the Nightingales
In Belgium he was elevated to the peerage and granted the titel of baron (1980).
Dit is een van de meest onderschatte Nederlandstalige romans. De focus ligt op het ogenschijnlijk romantische verhaal van de liefde tussen Elias en Gregoria, maar al snel wordt duidelijk dat er iets grondig mis is met deze Gregoria, vooral in haar seksuele beleving. Het is geschreven in de kenmerkende prachtige Gilliamse stijl, met telkens "melodieuse verschuivingen". Onthutsender nog is dat uit het opzoekwerk van Martien De Jong blijkt dat dit werk autobiografisch is, maar in omgekeerde zin: niet Elias, maar Gregoria blijkt overeen te stemmen met Gilliams. Dit is een bijzondere roman, nog onaf, maar ongelofelijk diep van structuur en inhoud. Helaas af en toe op het randje van het onleesbare, en dat verklaart wellicht waarom het nooit een succes werd.
De auteur schreef dit in 1938, herwerkte dit in de jaren 70, overleed in 1982 en liet dit postuum publiceren (in 1991). Het werd een nogal hermetische turf over de lange aanloop naar en de beleving van de eerste weken van het huwelijk van de hoofdpersoon. De lezer krijgt een inzicht in de gebruiken tussen families wanneer een paar zich wil verloven, en wordt doorlopend geconfronteerd met de frustraties van de auteur: de jarenlange afstandelijke hofmakerij, op zondagmiddag bij de schoonfamilie, de bittere boodschap daags voor het huwelijk en de ongelukkige wittebroodsweken nadien.