Reve is voor mij de minst bekende van de grote drie. Als tweedeklasser vertelde meneer Hageraats (destijds gewoon 'Koos') eens een verhaal over de stress die een kind voelde vanwege het 'reinigen' van kleding, waarbij de toon zo ontzettend geestig was dat ik achteraf denk dat het Reve geweest moet zijn. Vijf jaar terug (of zes, zeven jaar, de tijd gaat zo snel de laatste jaren) las ik De avonden omdat je dat nou eenmaal toch eens een keer gelezen dient te hebben. Maar echt fantastisch vond ik het niet. Al die dromen die erin worden uitgelegd. Ik lees niet graag over dromen. In arren moede 'plaatste ik het maar in zijn tijd' en concludeerde ik dat het een Groot Werk was.
Pas terug moest ik een half uurtje doden wachtend tot de musicalles van mijn dochter voorbij was, en het aanbod van de Dorcas sloot daar fijn bij aan: een dunnetje van Reve voor een eurootje. Een verfilmd dunnetje nog wel! Mij staan beelden van Jeroen Krabbé op het netvlies.
De vierde man is een alleraardigstse novelle. Ik moest lachen om Reves taalgebruik en ervaarde het boek daarnaast als een heuse pageturner. Op het eind blijkt het boek ineens een raamvertelling te zijn, zoals Wuthering Heights, maar dan achteraf.
Het smaakt mij naar meer: die taal, het gebrek aan gene, die verteltoon. Binnenkort eens maar dat boek met die ezel lezen. En Werther Nieland en de Familie Bolsjowitz o.i.d.