Een mensenleven lang, van halfweg de negentiende eeuw tot de Grote Oorlog, was Brussel een artistiek kruitvat en een laboratorium waar een nieuwe maatschappij vorm kreeg. In de hoofdstad van het jonge koninkrijk België - tevens de derde economische wereldmacht - werden oude vormen en gedachten vakkundig gefileerd en door iets nieuws vervangen: van symbolisme en art nouveau tot nieuwerwetse poëzie, van sociaal veldwerk tot anarchistisch oproer. In Brussel bleef niets ongedacht. Eric Min verbindt de levensverhalen van avonturiers en asielzoekers, denkers en doeners, vinders en uitvinders. Van Baudelaire, Marx, Freud, Ensor, Neel Doff, Teirlinck of Van de Woestijne: al die literaire en libertaire samenzweerders, vergeten kamergeleerden en duizendkunstenaars vestigden zich een vrijhaven waar geschiedenis werd geschreven.
Lemonnier, Anspach, Poelaert, Buls,... zo veel pleinen en lanen, waar ik zo vaak ben langsgelopen met soms een vaag idee -maar meestal geen flauw benul- wie deze heerschappen waren. Na het lezen van "De eeuw van Brussel" weet ik het wel. En nog veel meer.
Het boek is vooral een uitstekend overzicht van de kunststromingen en ideologieën die vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw in steeds sneller op elkaar volgende golven over elkaar heen rolden. In dit boek kan je lezen hoe dat intense proces van denken, activisme en expressie in Brussel vorm kreeg.
Dat van "regen in Parijs, druppels in Brussel" wordt ook duidelijk als telkens op nieuw Fransen, die in La Patrie problemen hebben, in Brussel komen schuilen. De verhalen zijn bekend: Baudelaire, Verlaine, Rimbaud, Hugo, de Communards in 1870,...
De geboorte van de moderniteit, de vele dromen van vooruitgang en van de utopie van een nieuwe maatschappij, die uiteindelijk zullen sterven bij het uitbreken de eerste wereldoorlog, maken we mee door de ogen van een eindeloze stoet schilders, dichters, schrijvers, beeldhouwers, kunstpausen, stadsontwikkelaars, architecten, politici, filosofen en ideologen. Van de Velde, Horta, Vermeylen, Rodin, Rops, Khnopff, Verhaeren, Huysmans, Maeterlinck, Ensor, Van Rysselberghe, Cladel, Picard, Maus, Lambeau, Mesnil, Reclus, ...
Vrijdenkers, libertairen, socialisten, communisten, socialisten anarchisten wringen zich vanonder de vleugels van kardinalen en bisschoppen.
De schrijfstijl is vlot en meeslepend; het is geen droge geschiedschrijving. Eric Min speculeert over emoties en intenties van de Brusselse helden en laat geen pikante details van hun liefdesleven onbesproken. Zo worden ze echte personages en krijgt het boek inderdaad de allure van een biografie van een stad. Het is wel een incomplete biografie: over de politieke geschiedenis van de periode leer je weinig: burgemeesters en politici duiken wel op in tentoonstellingen, lezingen en volkshuizen of als beschermheren van kunstkringen maar over verkiezingen of coalities locaal of nationaal: niets. Ook de economische geschiedenis -Belgie was toen toch de derde economische macht ter wereld- wordt er weinig verteld. Empain, Solvay, Soclet, Cockerill, ze kopen al eens een schilderij, wonen een opera bij of laten een huis bouwen maar over hun industriële projecten: niets.
Maar dat is niet erg want je komt wél de uitslag te weten van het rectaal onderzoek van Verlaine na zijn arrestatie voor het schieten op Rimbaud.
Tot slot nog dit: de eerste drie hoofdstukken zijn volgens mij grotendeels gebaseerd op "Literaire wandelingen door Brussel" van Marcel Van Nieuwenborgh uit 1990. Tenzij ze allebei terug te voeren zijn op een niet geciteerde gemeenschappelijke bron.
prachtig boek maar niet supervlot lezend. pijnlijk om te zien wat er in België allemaal leefde, gebeurde en hoe we vooraan liepen op vele fronten in de wereld. zeker als je dan nu mensen hoort zeggen: België bestaat niet.
Schijnbaar keurige heren kijken je aan vanop zwartwitplaatjes. Krulsnorretjes, leesbrillen, een vlinderdas. Heren van stand en beschaving. Sommige namen van deze Brusselse denkers, doeners en poëten uit het fin-de-siècle leven verder in namen van straten, pleinen of gebouwen. Anderen zijn vergeten. Er zijn ook beroemdheden bij waarbij je denkt: o ja, juist, die leefde ook in Brussel in die tijd.
In 10 hoofdstukken poogt Eric Min de culturele en intellectuele, vaak wat alternatieve elite te portretteren van Brussel tijdens die woelige periode grofweg van halfweg de 19de eeuw tot aan het uitbreken van de Grote Oorlog. Eén van die hoofdstukken heet “Een bad van geil en gal”. Het waren boeiende tijden, maar ook tijden van vunzig, vuil en verdrietig vertier. Brussel brusselde bruisend en stonk.
De eeuw van Brussel is niet de eerste Eric Min die ik lees, ook niet de beste. Ik hou van Brussel (malgré tout) en de personages zijn allemaal boeiend, maar je merkt wel een verschil in bevlogenheid tussen de hoofdstukken. Hoofdstuk 9 (“Het hinkelspel van de utopie”) over de anarchisten aan de universiteit, op straat en op de boerderij vind ik één van de beste. Het verbaast niet dat Min daar later een volledig boek aan gaat wijden, m.n. zijn jongste Zwart Licht (2023). Een ander hoofdstuk dat me bijzonder opviel was het al eerder genoemde “bad van geil en gal”, omdat Théo Hannon daarin ronddwaalt. Dit hoofdstuk werpt toch wel een nieuw licht op de pracht en praal van zijn fantastische art-nouveauwoning die ik onlangs bezocht (nu een museum).
De eeuw van Brussel is een must voor wie net als ik van Brussel houdt, maar het verhaal is even ambigu als de stad zelf. Het is een liefde met donkere randjes en er gebeurt veel in het verborgene. Dwalend door de stad nu valt vooral op hoeveel er platgeklopt is. Brussel is een moeilijk lief.
Dit boek stond al 10 jaar ongelezen in de boekenkast. En ik beken: ik heb niets met Brussel, ik kom er nooit. Ik ben een jongen van het platteland, geen stadsmens. En toch... had ik eind 19de - begin 20ste eeuw graag als bohemien in Brussel gewoond en geleefd, tussen de schrijvers, kunstenaars en politici. Om alle 'salons' te bezoeken. Dat moet geweldig geweest zijn. Die tijd had ook veel langer kunnen duren, als die 'wereldbrand', de Groote Oorlog, in 1914 niet was uitgebroken.
Het boek zou wel veel aangenamer én vlotter lezen als je niet na elke gelezen zin achteraan in het boek moet gaan zoeken naar de voetnoot die nog meer informatie geeft. Best boeiend en interessant wel, die aanvullende voetnoten. Maar: 885 voetnoten in een boek van 327 bladzijden is me een beetje te veel van het goede. Als elk boek van Eric Min een voetnoot na elke gelezen zin geeft, zal dit wellicht - jammer genoeg - het eerste én het ook het enige boek van Eric Min zijn dat ik ooit lees. Of gelezen heb.