Versluis, a lonely, but well-to-do Dutchman, goes to Bloemfontein in hopes of alleviating his tuberculosis and encounters fellow sufferers trying to come to terms with the disease and their own mortality
Schoeman is one of a handful of Afrikaans authors who has achieved real greatness in his own lifetime. His prizes include the Hertzog prize for prose three times (1970, 1986, 1995), the CNA prize (1972), the Helgaard Steyn prize (1988), the W.A. Hofmeyr prize and the Old Mutual prize for literature/fiction (1984, 1991). His work investigates the existence of the Afrikaner in Africa, especially those that came from Europe.
After completing his schooling in Paarl, he went on to study a B.A. at the University of the Free State before going to a Catholic Seminary in Pretoria. In 1961 he joined the Franciscan Order in Ireland as a noviciate for priesthood, but then returned to Bloemfontein to continue studying Librarianship. Before returning to South Africa for good in 1983, he was a librarian in Amsterdam as well as a nurse in Glasgow. Back in South Africa he continued writing and working as a librarian in Cape Town. He currently lives in Trompsburg.
Ook bij herlezing weer met heel erg veel plezier gelezen. Dit schreef ik erover eind 2020:
Prachtige roman van deze in 2017 overleden Zuid-Afrikaanse schrijver. Bij toeval in de bieb ontdekt. Vooral de aanbeveling van J.M. Coetzee op de cover (“Kunst van het hoogste niveau”) heeft me verleid.
Het voorwoord door Coetzee bevat een schitterende analyse van het verhaal. Maar ik raad je aan dit voorwoord als nawoord te lezen omdat hij een belangrijke plotwending weggeeft. Opvallend omdat er verder in dit verhaal juist vrij weinig gebeurt. Dat maakt die gebeurtenis extra belangrijk. Een keerpunt zou je kunnen zeggen.
Het verhaal draait om de welgestelde Nederlander Versluis die in 1870 naar Bloemfontein reist om te herstellen van zijn ziekte. Bloemfontein, midden in Zuid-Afrika in de provincie Vrijstaat, stond toen bekend als herstellingsoord voor zieken vanwege de droge lucht en het open veld. Versluis komt daar in aanraking met Europese immigranten en kinderen van immigranten. Bloemfontein is dan nog een dorp, een miniatuur versie van Europa. Met zijn Nederlandse kerk, Katholieke kerk, Anglicaanse kathedraal en Lutherse kerk. Een dorp waar bijvoorbeeld de verjaardag van de Duitse keizer nog groots gevierd wordt. De inheemse bevolking speelt in dit verhaal alleen een rol als bediende of koetsier. De volgende observatie van dominee Scheffler van de lutherse kerk geeft een aardig beeld.
“’Soms denk ik dat we gefaald hebben,’ zei Scheffler nadenkend, zijn hoofd gekeerd naar de langzame verkleuring in het westen, zodat zijn woorden niet duidelijk te verstaan waren. ‘We hebben onze beschaving hierheen gebracht, onze huizen en kerken, onze meubels en piano’s en boeken en modes uit Europa, ongevraagd hebben we dat hierheen gebracht en uitgeladen alsof Afrika een of andere vuilstortplaats was, en wij hebben ons leven hier ingericht volgens de patronen die wij of onze ouders van elders hebben meegebracht. We teren op herinneringen en omgeven ons met schimmen, en Afrika zelf zien we slechts op een afstand door de kanten gordijntjes die we voor onze woonkamerramen hebben opgehangen. De boeren die waren begonnen om als deel van dit land hun eigen leven op te bouwen, hebben we daar met geweld van weerhouden – vandaag de dag kopen de boeren piano’s en sturen hun dochters naar kostscholen, de kinderen proberen Engels te spreken om deftig te zijn. En de zwartmensen, wat hebben we hun niet aangedaan? We hebben hun de twijfelachtige gaven geschonken van Europese huizen en kleren, van geld en drank en ziekten die ze nooit hebben gekend; met de ene hand hebben we geprobeerd hen te verheffen, zoals wij dat noemen, en met de andere hand duwen we hen weer terug als ze te dichtbij komen en we ons bedreigd voelen. Wat hebben we niet allemaal aangericht in dit land? En met welk recht?’”
Bovenstaand citaat is een treffende beschrijving van de toenmalige situatie in Zuid-Afrika. Maar Een ander land gaat vooral over leven en dan met name hoe je omgaat met de eindigheid ervan. Als lezer ben je getuige van de innerlijke ontwikkeling die Versluis doormaakt. Er gebeurt zoals gezegd weinig. Het duurde even maar gaande weg ging ik echt van dit boek houden.
This is an exceptional book and speaks to my soul. It's set in the 1870s in Bloemfontein and follows a solitary Dutch man who comes to South Africa, like many other Europeans at the time, for health reasons. The dry air of the veld is regarded as the best climate for those suffering with Tuberculosis. It raises questions of class, colonialism, language, death and dying. For me, Schoeman, like other Afrikaans writers, but even better, describes the Karoo in its most magical, solitary, infinite, beautiful alluring way.
Just like the vastness of the Karoo, Schoeman's small tale is majestic and awe-inspiring.
It was clear from the first page that this novel would be a slow-paced one. And that was fine, the detailed descriptions of the raw emptiness surrounding our main character were beautiful enough, especially since none of the other characters seemed to add much to the storyline, apart from Ms. Scheffler perhaps. The effect that the vast emptiness had on them all was wonderfully presented to the extent that, vast or not, it came across truly suffocating. However, what troubled me the most was the increasingly racist, classist and ableist tone employed throughout the book. I did not take issue with sexist remarks, as one cannot expect current viewpoints from characters drawn from over 150 years ago -which probably also holds true for the other "-isms". One way or another, what became gradually clearer is that these perspectives were not necessarily introduced as the main character's alone nor were they put into question at all by any of the other characters in any dialectic way possible. So they just remained there for the reader to digest. Or did this have to do with the fact that the book was written almost 40 years ago? It is my first (and probably last) book by this author, so I will never be able to tell.
'n Middeljarige middelklas Nederlander word gediagnoseer met tuberkulose en aangeraai om na 'n warmer en droeër klimaat te gaan. Alhoewel ons die laaste dae gespaar word, is dit duidelik dat die vermoeiende reis na die vreemde hom nie gered het nie.
As die boek dan geen besondere storielyn het nie, is dit wel 'n wonderlike beskrywing van mense en hoe hulle hulle gedra teenoor die naderende dood. Wonderlike kontras tussen die reaksies teenoor Afrika en die veld van buitelanders en plaaslike mense (en baie meer). Natuurlik bou dit op die skrywer se grondige kennis van die geskiedenis van die vroeë Vrystaat, en ons kan verskeie karakters herken.
JM Coetzee skryf ''The thesis of the novel is clearly that it becomes possible to live in Africa once you have accepted that you will die in Africa'' (aangehaal in Kannemeyer se JM Coetzee, p 386) https://www.litnet.co.za/jij-gaat-ook...
Suiwer Karel Schoeman - selfs met die derde lees van die boek. Indien die leser kennis dra van Bloemfontein tydens die laat 1800's beteken die boek soveel meer. Ek beveel die boek ten sterkste aan vir ernstige lesers van Afrikaans.
Sfeervolle, historische roman over de Nederlander Versluis die eind negentiende eeuw naar Bloemfontein in Oranje-Vrijstaat reist om van zijn tbc te genezen. Afrika is hem vreemd, net als de plaatselijke gemeenschap van Europese immigranten waarin hij belandt, maar gaandeweg verzoent hij zich met zijn nieuwe bestemming – en zijn lot.