Ik ben enorm onder de indruk van het verschrikkelijke gevoel van beklemming dat Andersch weet op te roepen in zowel het hoorspel Fahrerflucht als het korte verhaal Ein Liebhaber des Halbschattens.
Beide verhalen spelen in Duitsland, eind jaren 50 of begin jaren 60. De oorlog is altijd op de achtergrond aanwezig. Het hoeft, en kan zelfs helemaal niet uitgesproken worden; de herinneringen aan die tijd hebben iedereen in een wurggreep. De mensen zijn zwijgzaam en constant aan het broeden, de spanning is zelfs in een alledaagse situatie om te snijden. Ook herinneringen aan de tijd voor de oorlog zijn opeens verraderlijk geladen. Het Oost-Duitse dorpje Friesack beschrijft Andersch bijvoorbeeld als volgt:
Friesack kam ihnen unverändert vor, hinter ein paar SED-Transparenten wie stehengeblieben, erstarrt in einer Pose aus den Jahren vor dem Krieg, trotz eines Denkmals für Gefallene der Roten Armee, an dem ein russischer Posten Wache stand. Aber sonst: das Pfarrhaus, die Schule, das Schulzenamt, der Krug. Nichts Glitzerndes. Der Eck- und Kramladen mit einem kleinen Mohren und einer Girlande von Schwefelfäden in seinem Schaufenster. Sonst nur Dunkelrot, altes Lehmgelb, niedriges Grau unter dem hellgrauen Himmel. Ein Städtchen in der großen preußischen und slawischen Ebene. Vorbei.
Ik weet niet in hoeverre men buiten Duitsland een boodschap aan heeft aan deze situatie, maar ik kan me maar al te goed voorstellen hoe bedrukkend het moet zijn geweest.
Ook zijn personages weet Andersch in korte tijd mooi neer te zetten, waarbij hij veel ruimte laat aan de verbeelding van de lezer. Dat moet ook wel, als het hele verhaal slechts een vijftigtal kleine pagina's beslaat. Er zitten een aantal treffende one-liners in het boek, zoals de volgende, uitgesproken door de oude moeder van de alcoholist Lothar, hoofdpersoon van Ein Liebhaber des Halbschattens. Zij zijn samen op reis van West-Berlijn naar Hamburg en moeten binnen bepaalde tijd en over bepaalde wegen een stukje Oost-Duitsland doorkruizen. Lothar besluit haar te sarren door voor te stellen een streng verboden omweggetje door zijn geboortedorp te maken.
»Aber es wäre doch hübsch«, sagte er, um sie noch ein wenig in Aufregung zu versetzen, »wenn wir nachsehen würden, ob das Pfarrhaus noch steht, und die alte Kirche.«
»Es wäre gar nicht hübsch«, erwiderte sie. »Es wäre degoutant.« Sie schwieg; nach einer Weile sagte sie, das Thema abschließend, »In meinem Alter lebt man in Erinnerungen. Aber man läßt sich nicht mehr gerne an die Wirklichkeit erinnern«