Henk van den Belt heeft nog niet zoveel boeken (in het Nederlands) op zijn naam staan. Wie hem echter uit artikelen, lezingen of preken kent, herkent veel. En we mogen dit boek met een beetje mazzel als deel 1 van een nieuwe gereformeerde dogmatiek beschouwen, zo staat in de inleiding.
Dat deel 1 zet in bij de openbaringsleer, nauw samenhangend met hermeneutiek. Tegelijk is het bijna een pneumatologie: Van den Belt verbindt alles met elkaar door een beroep op de Geest. Elk hoofdstuk verbindt één aspect van de openbaring met de Geest. In deze lijn pleit Van den Belt voor een herwaardering van funderingsdenken, maar dan geen rationele, maar een pneumatologische. Daarbij wijst hij het (Amerikaanse) inerrancy-denken af en wil ontspannen omgaan met ‘tegenstrijdigheden’ tussen bijvoorbeeld verschillende evangelisten, maar aarzelt bij de consequenties van de taalfilosofie bij J.L. Austin, waarbij de aandacht van de exegeet en normativiteit van de bijbel zou verschuiven van de betekenis van de tekst naar wat een tekst ‘doet’. (p.268). Hij voelt wat dat betreft nog meer verwantschap met de Rooms-katholieke openbaringsleer, omdat er dan tenminste nog een gezaghebbende openbaring van buiten ons tot ons komt (p.244).
Centraal staat Van den Belts schema van drie concentrische cirkels, waarbij van buiten naar binnen toe men van betekenis van de tekst, via confessionele vooronderstellingen, naar concrete beslissingen voor het leven gaat. Een verhelderende voorstelling! Concreet wordt van den Belt zelf door zich uit te spreken over vrouwelijke amtsdragers, schepping en evolutie, homoseksualiteit en de verzoeningsleer. Dit tweede element ligt ik er even uit omdat het mij niet geheel duidelijk wordt hoe hij zaken nu ziet.
Van den Belt noemt zijn visie op ‘schepping en oergeschiedenis’ oude-aardecreationisme. Hij onderscheidt vier lagen (waar G. van den Brink er nog drie zag): 1) hoge ouderdom kosmos 2) het bestaan van de cyclus van leven en dood voor de komst van de homo sapiëns 3) de evolutionaire samenhang van al het leven 4) de natuurlijke selectie van al het leven. Van den Belt accepteert (1) en wijst (4) af als interpretatie en speculatie. Van den Brinks laag 3 komt hiermee overeen, maar hij vindt die kwestie theologisch niet interessant. Hoe Van den Belt over (2) en (3) denkt, is iets complexer. Dood en verderf vóór de homo sapiëns wijt hij aan de kosmische van van de engelen. Dat valt onder de voorzienigheid, en niet onder de (goede) schepping van God. Dat er kwaad onder de voorzienigheid plaatsvindt is minder problematisch dan dat het inherent in de schepping zou zitten. Uit dit proces van dood en verderf komt uiteindelijk de mens voort. Toch kun je dat proces ook wel weer schepping noemen. ‘Zo kun je het ontstaan van het leven en van nieuwe levensvormen toeschrijven aan Gods scheppend handelen, al heeft Hij (...) daarvoor net als hij de schepping van Adam bestaande materie gebruikt’. Vervolgens schrijft hij weer: ‘God schept niet door middel van evolutie, maar leidt in zijn voorzienigheid de geschapen wereld naar het moment dat hij uit die wereld, uit het stof der aarde, de mens schept (!) naar zijn beeld en gelijkenis’. Dit klinkt alsof Van den Belt op de valreep toch de Gemeenschappelijke afstamming accepteert, ondanks dat hij het een pagina eerder nog enigszins lijkt te betwijfelen. Het komt mij verder voor dat de termen schepping en voorzienigheid hier door elkaar blijven lopen, terwijl het in praktische zin weinig van theïstisch evolutionisme verschilt.
Dit net-niet-voldoende-uitgewerkt gevoel komt op meer plekken terug. Van den Belt wil de z.g.n. interne criteria herwaarderen als het gaat om de canonvorming. Hij formuleert hier vijf aspecten voor. Dit maakt m.i. wel duidelijk waarom de boeken die de canon gehaald hebben, er terecht in zijn gekomen, maar niet waarom andere orthodoxe geschriften er niet in zijn gekomen (denk aan de Didachè). Verder stelt Van den Belt op niet alle bijbelboeken een gelijke aard van gezag toe te kennen, maar dit in samenhang te zien het hoelang de kerk over de erkenning van het betreffende boek deed. De canon heeft rafelranden (p. 205) en het soortelijk gewicht is per boek verschillend. De uitwerking laat hij aan de exegeet over, maar hoe kun je wel ‘ontspannender’ (p.206) omgaan met de uitleg van Openbaringen als deze juist met de sterkte autoriteitsclaim komt (p. 197)? Tot slot is de toon - voor een dogmatiek - vrij persoonlijk. Regelmatig schrijft Van den Belt in ik-vorm. ‘in de Protestantse Kerk in Nederland werk ik samen met vrouwelijk collega’s en ik ben de laatste om te ontkennen dat hij goed en zegenrijk werk doen’ schrijft hij in de lopende tekst over vrouwelijke ambtdragers’ (p.287).
Toch kunnen deze aarzelingen niet wegnemen dat zijn boek een orthodoxe, en tegelijk prikkelde aanzet voor een nieuwe dogmatiek vormt.