‘Humor is om te lachen’, zo luidt het cliché. Maar mensen kunnen zich er ook enorm kwaad over maken. Van Wim Sonnevelds Frater Venantius tot Koot en Bies Tegenpartij en Youp van ’t Heks pisnicht – stuk voor stuk vormden ze de aanleiding tot een fikse rel. Een publieke woede-uitbarsting over humor vertelt ons veel over de tijdsgeest, en over hoe die soms ineens omslaat. Aangevuurd door de (sociale) media kan de spanning hoog oplopen. In die cocktail van veranderende normen en waarden, hoge kijkcijfers en een sensatiebeluste pers is een humorschandaal snel geboren. In Het was maar een grapje duikt Ivo Nieuwenhuis in deze en andere gedenkwaardige Nederlandse humorrellen. Hij schetst aan de hand daarvan de culturele en maatschappelijke ontwikkelingen sinds de jaren vijftig.
Wat schuilt er achter de ophef over Wim Sonnevelds typetje Frater Venantius (1963), Van Kooten en De Bies Tegenpartij (1981) en de roast van Thierry Baudet door cabaretier Martijn Koning (2021)? Neerlandicus en cabaretonderzoeker Ivo Nieuwenhuis duikt in deze drie ‘humorschandalen’ en nog zeven andere uit het naoorlogse Nederland. Hij zoekt uit wat er precies gebeurd is, vaak met behulp van archiefonderzoek, en legt bloot waarom deze grappen zoveel stof deden opwaaien. Zijn opmerkelijke conclusie is dat het meestal niet aan de grap zelf ligt. Het draait steeds om de context. Frater Venantius nam Limburgers en katholieken weliswaar op de hak, maar deed dat op goedmoedige toon. Tijdens theatervoorstellingen, ook in het destijds streng katholieke deel van ons land, viel de act helemaal niet verkeerd. Dat was anders toen Venantius op tv verscheen. De verhouding tussen artiest en theaterpubliek heeft iets vertrouwds, de toeschouwers weten dat ze komen om te lachen. Op televisie werkte dat kennelijk anders. Zeker in de vroege jaren zestig. Johan Derksens grap (‘Weten we zeker dat het niet Akwasi is?’ bij een foto van een pro-Zwarte Piet-demonstrant) was bij lange na niet de grofste uit zijn arsenaal, maar raakte een gevoelige snaar vanwege al zijn eerdere grappen ten koste van Black Lives Matters en aanverwante onderwerpen. Dit interessante boek biedt veel inzichten over humor in Nederland. De eerste hoofdstukken zijn verhelderend omdat de wereld van Wim Ibo, Annie M.G. Schmidt en Mies Bouwman zo lang geleden is. De laatste hoofdstukken zijn dat vanwege de heldere analyse over de humorrelletjes van nu. Volgens Nieuwenhuis komen deze gevallen vooral voor in tijden van maatschappelijke verandering en botsende normen: in 1963-‘73, en opnieuw sinds ongeveer 2017. De vraag die vaak gesteld wordt, is ‘waarom je zoveel grappen niet meer kunt maken’. Het antwoord van Nieuwenhuis is duidelijk: je kunt ze nog wel maken, maar verwacht wel een reactie. Want bij grappen ten koste van minderheden kun je verwachten dat ze laten weten dat ze er geen trek meer in hebben.
Goed geschreven geschiedenis van humorbotsingen, maar ook een geschiedenis waarin de morele schema's in beton gegoten zijn. Soms ook wordt de context te groot genomen: zelfs de Koude Oorlog komt voorbij en de herinnering aan de staatsgreep van Troelstra (tja). Zeker waar de geschiedenis het heden nadert, wordt partijdigheid vaak gemaskeerd als wetenschap. Bij de eerste hoofdstukken is het gebruik van archivalische bronnen verfrissend, in de latere overwegen modieuze stellingnames. In eerdere hoofdstukken ook anachronistische stellingnames: zo treedt er in een programma jaren geleden een homoseksueel op, maar die wordt stereotyp beschreven - als dat niet stereotyp was gebeurd, had niemand de homoseksueel herkend. Meer dan eens wordt met associatie schuld gegenereerd: zo kunnen Theo Maassen en Johan Derksen in de partij van Trump ondergebracht worden.
An overview of how the meaning of humor and satire have changed over the last 70 years in The Netherlands. How the jokes and cynical remarks wouldn't be accepted due to changed opinions.