Verhaal:
Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details van de plot en/of de afloop van het verhaal.
Op de trouwerij van zijn enige vriend Jacob [2] maakt de dertigjarige hoogleraar celbiologie, Maarten [3], kennis met een meisje. Het blijkt de jongere zus te zijn van zijn grote eenzijdige jeugdliefde Martha. Hij maakt een afspraakje met haar voor een bezoek aan een klassiek concert. Op weg naar huis krijgt hij dwanggedachten. Hij vreest dat hij nog maar twee weken te leven heeft en het concert niet zal halen.
De ontmoeting met het meisje brengt herinneringen terug aan zijn jeugd. Maarten is opgegroeid op een tuinderij met kassen waar hij woonde met zijn vader, een tuinder, en zijn moeder. Pas op de lagere school komt hij in contact met andere kinderen. Hij wordt veel geplaagd en de hoofdonderwijzer zet hem in de vijfde klas apart zodat hij verder kan leren zonder gestoord te worden. Hij ontmoet daar Martha, zijn onbereikbare liefde. Hij weet nooit meer dan een paar woorden met haar te wisselen, zelfs niet later op een reünie. Martha wordt ook de maat voor alle andere meisjes die hij aardig vindt. Maarten gaat van de middelbare school naar de universiteit en specialiseert zich in celbiologie. Hij komt tot de ontdekking dat hij zich met weefselkweken bezig houdt, om de kwekerij van zijn vader te ontlopen. Wegens zijn baanbrekende resultaten met klonen, is hij al op zijn dertigste hoogleraar. Als zijn vader overlijdt gaat Maarten weer bij zijn moeder wonen. Vlak voor zijn doctoraal sterft zijn moeder aan keelkanker. Op haar sterfbed wil zij, al licht dementerend, nog een zonde bekennen aan twee ouderlingen. Ze heeft gezondigd tegen de Heilige Geest, een zonde waar volgens Jezus geen vergeving voor kan zijn. [4] Ook de twee ouderlingen zijn die mening toegedaan en ze worden door Maarten letterlijk het huis uit geslagen.
Voor zijn verdiensten in de celbiologie wordt Maarten uitgenodigd voor een congres in Bern. Daar ontmoet hij twee collega’s, Adriënne en Ernst. Hij maakt met hen een tocht in de bergen en Maarten voelt dat hij verliefd wordt op Adriënne. Hij moet het echter afleggen tegen Ernst en jaloers moet hij toezien hoe de twee steeds vriendschappelijker met elkaar omgaan. Bij een moeilijke afdaling glijdt Maarten uit en weet hij zich nog net vast te houden aan een smalle richel. Het voelt alsof zijn dwanggedachte bijna is uitgekomen. Hij besluit de zuster van Martha een ansichtkaart te sturen om de afspraak af te zeggen. Als hij de volgende nacht een koortsdroom krijgt, droomt hij van de val en ziet dan als een soort troost het gezicht van Martha voor zich. Hij besluit om niet de toch al onbereikbare liefde na te streven.
Achtergrond:
“Een vlucht regenwulpen” is de meest succesvolle roman van Maarten ’t Hart en het boek waarmee hij definitief doorbrak. In het motto van het boek (zie hieronder) verraadt ’t Hart al waar hij met zijn roman heen wil. De hoofdpersoon uit het boek zal zich nooit kunnen onttrekken aan de ‘voorzienigheid Gods’. Alles wat er gebeurt in een mensenleven is voorbestemd. In “Het roer kan nog zesmaal om”, zijn autobiografie, beschrijft hij op humoristische wijze de gereformeerde visie op de invloed van God op het leven. Als voor de jonge Maarten ’t Hart de wereld en het leven onbegrijpelijk lijken met al zijn lijden en pijn, krijgt hij te horen dat het leven lijkt op een handwerkkleedje waar de draadjes schijnbaar doelloos heen en weer lopen; pas na de dood krijgen we te zien hoe de patronen lopen en wat God in Zijn grote plan met ons heeft voorgehad. De hoofdfiguur uit de roman is het echter niet met de voorbestemming eens. Hij vliegt bijvoorbeeld de ouderlingen aan die zijn moeder de hemel ontzeggen voor een grote zonde en hij creëert zijn eigen levensvormen in het laboratorium. Als hij echter op het punt staat de tot dan toe onbereikbare liefde te bereiken, wordt hij teruggefloten. Zijn val van de berg maakt hem duidelijk dat hij niet moet streven naar het onmogelijke.
Het boek is ook een ode aan de moeder. Ze wordt omschreven als een rustige vrouw die zich schikt naar haar man. Ze is dol op Maarten en overstelpt hem met liefde. Er zit een element van Oedipale liefde in als Maarten naar zijn moeder kijkt terwijl ze haar haren kamt of als hij als kind ‘vadertje en moedertje’ met haar speelt. De moederfiguur is weliswaar gebaseerd op Lena ’t Hart-Van der Giessen, de moeder van de schrijver, maar slechts gedeeltelijk. De moeder van Maarten ’t Hart is niet overleden aan keelkanker. Integendeel, ze is (anno 2010), inmiddels hoogbejaard, nog steeds in leven.
In 1978 neemt het boek al een voorschot op de maatschappelijke discussie over het klonen van mensen. Maarten wordt gedreven door een zin uit een roman van de schrijver Simon Vestdijk: "Een mens moest een cel zijn, dacht hij, een klompje dat zich in tweeën splitst, dan zou er niets aan de hand zijn!" Op het congres in Bern heeft Maarten al een muis gekloond [5] en geeft tijdens de bergwandeling de techniek aan om een mens te klonen met de hulp van een gasteicel. Zijn persoonlijke problemen met het benaderen van de andere sekse, vindt zijn beslag in zijn biologisch werkterrein. [Wikipedia article]