In de verhalen van Nicolien Mizee speelt de natuur, en de tuin in het bijzonder, een belangrijke rol. Of het nu om de tuin als lusthof gaat, als decor voor sisyfusarbeid of als pleidooi voor het kleine leven, in Het paradijs laat Mizee zien dat de tuin ons vooral veel over onszelf leert. Zeven geestige en fijnzinnige verhalen, over twee blauwebessenstruiken, een tuinfeest, over het identiteitsloze van tuinierkleding en de hagenpreek van een alternatief genezeres. Tijd om de tuin in te gaan!
Nicolien Mizee (1965) is schrijver en schrijfdocent. In NRC Handelsblad schreef ze een veelgelezen column over haar ervaringen als docent. Haar roman Toen kwam moeder met een mes (2003) werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en ook haar laatste roman De halfbroer (2015) werd zeer goed ontvangen door de pers. De kennismaking. Faxen aan Ger (2017), de eerste bundeling van de faxen aan Ger en De porseleinkast (2018), de tweede bundeling van de faxen aan Ger, werden zeer goed ontvangen door de pers. In 2019 verscheen bij Nijgh & Van Ditmar de roman Moord op de moestuin, dat inmiddels al vele malen herdrukt is.
De verhalen uit ‘Het paradijs’ lees je alsof een buurvrouw via de achterdeur is binnengekomen. Je hebt haar net een kop koffie aangeboden, en nu zit ze op de hoek van de keukentafel naar je tuin te kijken. Eerst zegt ze nog iets over de woekerende klimop en de kunst van het wieden, en daarna roert ze in haar koffie en vertelt ze een verhaal uit of over haar eigen tuin. Ze vertelt vlot en luchtig, met af en toe een grap of een knipoog, en min of meer tegelijk met het eindpunt zet ze haar kopje neer en zegt: ‘Ik ga maar weer eens.’ Je denkt met plezier terug aan haar bezoekje. Zo lezen de zeven tuinverhalen uit deze kleine bundel van Nicolien Mizee.
Nicolien Mizee beschrijft haar leven alsof het een verhaal is; of misschien is het wel andersom en beginnen de dingen in haar leven te gebeuren omdat ze er een verhaal over schrijft. Hoe dan ook: Mizee is een magische auteur.
Alweer bijna vier jaar geleden verdreef ik mezelf uit het paradijs. Sindsdien zijn mijn groene vingers werkloos. Op het belachelijk kleine balkonnetje van mijn appartement past ternauwernood een bistrosetje. Het tafeltje en de twee stoelen palmen alle beschikbare ruimte in. Er rest zelfs geen plaats voor een bak met kruiden. Van aan het bistrosetje werp ik weleens smachtende blikken de gemeenschappelijke tuin in. Of vernietigende blikken, wanneer de door de syndicus ingehuurde tuinman op zaterdag ontiegelijk vroeg de ochtendlijke stilte verstoort met een bladblazer of een grasmachine. Ondanks een allergie voor grassen wil ik zelf die machine voortduwen. De bladblazer ruil ik liever in voor een bladhark. Vroeger kon ik er eindeloos van genieten om de bladeren van de vijf lindebomen bij elkaar te harken. Om met twee gieters tegelijkertijd de dorstige tomatenplanten in de serre te laven. Om de uit de kluiten gewassen pompoenen naar de voorraadkamer te sjouwen. Jawel, jouw tuinverhalen duwden de groene vingers diep in de wonde. Niet alleen snakte ik bij elk verhaal naar mijn eigen moestuin, ik herbeleefde een deel van mijn jeugd. Ik hielp bij het rooien van aardappelen, bij het stekken van asperges en bij het toppen van bonen. Toch dreef de nostalgie me niet zo ver dat ik in allerijl op zoek ging naar een braakliggend stukje moestuin in de buurt. Het sociale aspect uit jouw verhalen weerhield me daarvan. Spit ik in de aarde, dan hoef ik daar geen praatjes bij. Praatjes ga ik alsmaar vaker uit de weg. Ze putten me uit. In mijn kamerplantenloze kamers hoef ik ze niet te vrezen. De buitenlucht zou zich voor mij tot het belachelijk kleine balkonnetje beperken, mocht ik mezelf niet middels een hardlooptocht dagelijks de deur uit dwingen. Fanatiek hardlopen is mijn manier om het onkruid uit mijn hoofd te wieden. Vroeg of laat protesteert mijn lichaam tegen dat slopend fanatisme, ik weet het. En al heb ik mijn vader bij het spitten ook weleens naar zijn rug zien grijpen, een moestuin zou wellicht minder belastend zijn voor mijn fysieke en, wie weet, mentale gezondheid. Maar zolang ik niet kan verkassen naar een paradijs waar ik ongestoord de groene vingers uit de mouwen kan steken, zal ik het moeten zien te rooien met het doorploegen van boeken die het niet schuwen de vingers diep in wonden te duwen.
Het is geen hoogstaand doorwrocht literair meesterwerk maar het is wel heel grappig en goed geschreven. De woorden staan precies in de goede volgorde en de observaties zijn treffend. Dus ik geef lekker toch vijf sterren, wie houdt me tegen.
Mizee heeft de schrijversvakschool gedaan en dat merk je. Ze schrijft heel vlot en het is een genot om haar verhalen te lezen. Ik heb erg moeten lachen om sommige verhalen. Mijn partner vond het meer iets voor de Libelle. Oké dan, maar daar ga ik me echt niets van aantrekken, in dit geval.
Nicolien Mizee is wat mij betreft een der beste schrijvers die we hebben; misschien wel de beste. Zou ze nog wat meer beschouwingen schrijven dan was ze een waardige opvolger van Karel van het Reve.
Zeven verhalen over tuinieren die zeer scherp, origineel en geestig zijn. Ik moet bekennen dat ik nooit van de schrijfster had gehoord. Volkomen ten onrechte. Ik wil veel meer van haar gaan lezen
Ik las Het paradijs in één ruk uit, met een grote glimlach op mijn gezicht. Met elk nieuw boek van Nicolien Mizee dat ik lees word ik meer en meer verliefd op haar.
In Het paradijs zijn 7 verhalen gebundeld die over de tuin gaan. Waarschuwing: als je deze 112 pagina’s hebt verslonden wil je direct zelf een moestuin, en liefst eentje in een volkstuinen-complex.
Mizee is uniek qua observeren, menselijk inzicht, origineel denken en maatschappijkritisch én tegelijk enorm grappig schrijven. Ik denk dat je van haar houdt of haar haat. Omdat ze zo een uitgesproken eigen stem heeft. Ik hou van haar!
Haar liefde voor de tuin, de natuur in het algemeen, is groot en die liefde spat van elke pagina. Geniet ervan!
Na mijn moeder meermaals hardop te hebben horen lachen besloot ik deze bundel aan te vallen in de auto op weg terug naar Nederland vanuit Oostenrijk. Drie uur later was ik klaar, zo vlot schrijft Nicolien Mizee. De droge cynische humor wordt meesterlijk en zonder dat je het door hebt afgewisseld door anecdotes over lastige onderwerpen als polarisatie in de Nederlandse samenleving, het huwelijk of burenruzies. Ik ben een aantal mooie observaties, kennis over tuinen/tuinieren en lachspieren rijker. Volgende keer graag een uitgave met 70 ipv 7 verhalen!
'Een diepe ontroering trok door mijn lichaam en ziel, alsof ik de adem van de tijd kon voelen (...)'
'Wel weet ik dat we met eerbied moeten omgaan met alles wat leeft en zelfs niet leeft, maar daarvoor heb ik geen Hogere Opdrachtgever of heilige eik nodig. Ik geloof dat het soms goed is magisch te denken, zolang je maar weet dát je dat doet.'
'(...) Een toestand van gelukzalige versuffing.'
'(...) Ik kan geen ruzie maken. Ik verlam, ik krimp in elkaar en ik wil vluchten.'
'Ik weet niet wie van mijn beiden nu gelijk heeft.'
Destijds heb ik de 'faxen aan Ger' weggelegd, omdat ik het gezemel van een mislukte schrijfster vond, maar deze herkansing beviel goed. Mizee heeft veel meer zelfvertrouwen gekregen, mischien dat daardoor haar aparte humor beter naar voren komt. Althans, zo heb ik het ervaren.
Leuk leuk en soms ontroerend, maar toch minder dan haar korte(re) columns die ‘s zomers op de achterpagina van NRC staan. De kortste verhalen vind ik de betere.