'In de klassieke Japanse architectuur worden de afmetingen van een huis mentaal opgerekt door ieder vertrek een naam te geven, ''kamer van de mist' of 'kamer van de zwaluwen''. De woorden roepen beelden op, ze brengen lucht en beweging in de geest, ruimte die je meeneemt de kamer in.' (p17)
'Er zijn verhalen over alledaagse dingen die, in afwezigheid van ongeluk, onopgemerkt passeerden en pas jaren later glans kregen.' (p25)
'De schakelaar van praktisch ouderschap kan hij aan- en uitzetten. Hij is eraan gewend geraakt en zijn handen houden tijd over voor andere dingen. Er is ruimte voor het deel in hem dat van stilte houdt.' (p36)
'In iemands oorsprong te zijn, ligt een bestemming besloten. Luut moet zijn als groen waarin Tessel kan wortelen en groeien.' (p49)
'Haar kinderziel is niet langer een licht transparant huis. Er was een tijd dat ze haar hart op de tong droeg en alles wat haar dwars zat meteen naar buiten woei. Onzichtbare metselaars trokken muren in haar op, schaduwrijke nissen waar verdriet en geheimen zich goed lieten verbergen. Niet het verdriet om een geschaafde knie, maar dat van de onttovering van haar wereld. (p51)
'In de velden was zijn huid geen muur, het was een Japans schuifpaneel dat binnen-en buitenwereld in elkaar liet overvloeien. Wanneer hij in het gras lag, werd hij hij gras en wanneer hij met zijn armen klapwiekte, werd hij een zwaan.' (p58)
'Dromers worden geaard met een stuk gereedschap; een dopsleutel, troffel of een riek en als kostwinners houden ze zich bezig met een motorblok, kluiten of klinkers.
Dat wat overdag binnen blijft, moet er in de avonduren uit en vindt plaats in de beslotenheid van zolders en in schuurtjes waar tot diep in de nacht een peertje brandt. Op een van die zolders schildert de stratenmaker aan zijn oeuvre van nevelige landschappen. Meer dan landschappen zijn het abstracties van lucht en licht; een canvas grijsgroen herfslicht, alsof hij met een stofschaar een lap uit de lucht heeft geknipt, een vierkant blauw zo uit een winterhemel gesneden.' (p60)
'Gewend om in de verte te turen, bezitten de meeste dorpelingen een scherp ook voor wolkenluchten en kuddes grazend vee. Verwachtingsvol kijken ze naar het verkleuren van rijpende korenaren, maar nooit kijkt iemand met dezelfde belangstelling naar de kleuren van een ander mens. Wel gluren ze met toegeknepen oogjes naar elkaar, vanuit een kritische belangstelling of de ander grijs genoeg blijft. (p62)
'Het verhaal over de man en zijn handspiegel heeft hem doen beseffen dat hij een keuze heeft, waar wil hij naar kijken? Richt hij zijn oog nog langer op dat wat afgebroken is of kantelt hij zijn blik naar de ruimte die voor hem ligt, naar vlinders en wolken'. (p69)