In het onvolprezen mappalibri.be stond onlangs een mooi en enthousiasmerend artikel over de verhalenbundel "Lettipark" van Judith Hermann. Maar daarin stond ook dat haar prijswinnende debuut "Zomerhuis, later" misschien nog wel beter was, ook al kent niemand hem meer. Dus scoorde ik die bundel, en ik las alle negen verhalen met vreugde.
Samen te vatten zijn deze raadselachtige verhalen niet, want het gaat daarin niet om wat er wordt verteld maar hoe het wordt verteld. Of, beter misschien, om de open plekken, de weglatingen, de wijze waarop er eigenlijk nauwelijks wordt verteld maar alleen wordt gesuggereerd of omcirkeld. En dat gebeurt steeds in ongelofelijk bondige en poëtische zinnen, vol van sfeer en vol van geheim. Zinnen ook waar elk woord en elke komma precies lijkt te staan waar die moet staan. Ook in de vertaling van Joke Gerritsen. En daardoor heeft deze verhalenbundel voor mij dezelfde charme als een bundel vol goede poëzie. Want ook in gedichten -althans, de gedichten waar ik van houd- wordt iets omcirkeld dat je raakt door zijn schoonheid, zonder dat je in proza exact kunt parafraseren wat dit "iets" is.
Een van de verhalen begint bijvoorbeeld als volgt: "De winter herinnert me soms aan iets. Aan een stemming waarin ik ooit was, een lust die ik me gewaar werd? Ik weet het niet precies. Het is koud. Het ruikt naar rook. Naar sneeuw. Ik draai me om en luister naar iets wat ik niet horen kan, een woord ligt op mijn tong, ik kan het niet zeggen. Een onrust, weet je? Je weet het. Maar jij zou zeggen, alles wat naamloos is moet je niet benoemen". Wie is die ik? Wie is die jij? Wat is hun verhouding? Aan het eind weet je het nog niet precies, vooral ook omdat de ik- figuur het niet begrijpt en niet wil of kan benoemen. Wel wordt, heel voorzichtig, de treurnis aangeraakt en omcirkeld dat er iets voorbij is: "Ik heb geprobeerd te begrijpen waarom het voorbij is tussen ons en ik wist dat er niets te begrijpen viel. Ik heb aan jou gedacht, aan je kamer, het blauwe licht van de televisie, de half opgerookte sigaret in je linkerhand, ik dacht eraan dat jij alles al veel langer weet, je had iets kunnen zeggen, iets, ergens iets". Of, enkele pagina's later: "Maar die sleutel ligt daar niet voor mij. Dat weet ik ook. Hij ligt daar voor die ene persoon, over wie wij het nooit hebben gehad, hij ligt klaar voor haar, als het zover is zal zij op haar tenen gaan staan, voelen waar hij ligt, de deur opendoen, haar koffer naast je bed zetten en je wakker maken. Zo is het toch, nietwaar? Jij wacht. Je kent ze niet, deze persoon, maar je weet dat ze komen zal, en daar wacht je op, je zit en ziet de ijsbloemen en wacht. Ik wacht ook".
Mooi vind ik dat, het stille wachten van die jij- persoon, in de verbeelding van de ik- figuur die zelf ook in stilte wacht. Dat wachten, en de wijze waarop de ik- figuur zich die wachtende jij- figuur voorstelt, suggereert naar mijn smaak bovendien veel weemoed en hunkering. Maar alleen tussen de regels door, en zonder de aard van het gevoel of de redenen van het gevoel te benoemen. Ook de meanderende plot van het verhaal omcirkelt alleen de onbenoembare kern: we worden meegenomen in weemoedig makende en wezenloze scenes in het dynamische nachtleven van Berlijn, naar allerlei momenten van verstilling en verbazing, en de hunkering van de ik- figuur zien we alleen via mijmerende gedachteflarden of in de weemoedige ondertonen van haar stemmingen en gedrag.
In de negen verhalen van deze bundel worden we naar veel verschillende werelden meegenomen: naar een door storm bedreigd, drukkend warm Caribisch eiland; naar diverse kunstenaarsgezelschappen in de hippe, maar ook nogal dolende "scene" van Berlijnse jonge kunstenaars; naar een Amerikaans hotel dat feitelijk als een soort bejaardentehuis dient; naar herinneringen aan de Petersburgse tijden van een overgrootmoeder; naar de laatste dagen van een oude en vereenzaamde vrouw...... En steeds is er die raadselachtige weemoed, vaak in combinatie met een onbenoemde hunkering: alsof de hunkering op voorhand al gedoemd is om onbevredigd te blijven. Zoals al naar voren komt in de titel van het titelverhaal: het "zomerhuis" belichaamt ongrijpbare en onbenoemde verlangens van een in voorlopigheid ondergedompelde persoon, maar het "later" behelst een voortdurende opschorting. Het "zomerhuis" is er dus feitelijk niet nu, maar is er ook niet later. Tegelijk blijft ondanks alle weemoed toch ook de hunkering werkzaam, ook in andere verhalen. "Luister, ik wil die verhalen vertellen! De Petersburgse verhalen, de oude verhalen, ik wil ze vertellen om door naar buiten en weg te kunnen gaan", zo roept bijvoorbeeld de hoofpersoon van het fraaie verhaal "Rode koralen". Die verhalen, over haar overgrootmoeder die een verdwaald leven leidde in Petersburg, zijn weliswaar vol weemoed en vergeefsheid, en soms weet de ik- figuur niet wat haar aantrekt in die verhalen: "Is dat het verhaal dat ik vertellen wil? Ik weet het niet zeker. Niet echt zeker". Maar ze blijft die verhalen vertellen, en blijft hunkeren naar de andere werelden die ze oproepen. Hoe onduidelijk en weemoedig die werelden ook zijn, hoe moeilijk te verklaren die hunkering voor haar ook is.
Kortom: ik ben blij dat ik deze debuutbundel nu ken, en ik begrijp volkomen dat hij bij meerdere lezers een soort cult- status heeft. Volgens sommige recensenten heeft Judith Hermann de kwaliteit van haar debuut in latere bundels nooit meer herhaald. Maar die kunnen nooit slecht zijn: ik ga over enige tijd maar eens op zoek.