Ze drinken allemaal whisky, of ze deden het voor hun opname in Rehab. Allemaal zijn ze gescheiden, het contact met de kinderen is moeilijk. Ze verhuizen telkens opnieuw, van bungalow naar motel naar woonwagen, op zoek naar geluk dat ze ook daar weer moeilijk vinden.
Mannen in laarzen gaan vissen in de rivier en vrouwen in tweedehands schoenen werken als serveerster in het wegrestaurant. De buren wonen in dezelfde wijk maar hun leven is anders. Altijd is er koffie, onuitgesproken ruzie en de aluminium asbakken zitten overal vol. In elke grauwe kamer ziet de kleur van sigarettenrook blauw.
Carvers personages hebben allemaal iets tragisch, de rugzak van het leven knelt wat harder als je langs de vervelende kant van de leeflijn zit. Maar dat maakt hen net zo weerbaar. Al die gewone mensen in die gewone wijk in dat gewone dorp.
Carver schrijft ook geen kortverhalen maar ‘slices of life’. Misschien is dat wel wat de stukjes zo sterk maakt. Geen dubbele verhaallijn, geen vernuftige stilistische ingrepen of tadaaa verrassende plots. Vaak is er zelfs helemaal geen plot. Het zijn gewoon gebeurtenissen. Interacties. Van mensen die menselijke dingen doen.
Maar de manier waarop Carver zijn protagonisten zo nauwkeurig penseelt, en al die kleine gebaren en gesprekken in woorden giet, geen lettergreep te veel, verheft het banale tot iets magistraals. Het wat trieste leven van de doorsnee Amerikaan in de jaren 70-80 wordt in Carvers wereld een bijzondere levenskunst.
En die kunst is een plezier om te lezen, meer dan 800 pagina’s lang. In een overigens uitstekende Nederlandse vertaling. Een grootse bundel vol kleine momenten, dit soort combinaties heb ik graag.