De meeste mensen deugen, maar de spelregels niet, vindt Kristof Calvo. In de politiek regeert een negatief mensbeeld en vijanddenken, de verzorgingsstaat wordt steeds repressiever en bureaucratischer. Onze belangrijkste instellingen zijn vandaag kweekvijvers van wantrouwen. Na 15 jaar in de Wetstraat is zijn oordeel hard: dit politieke systeem is oud, moe en versleten.
Er zit iets goed in elke mens, maar politieke keuzes bepalen of dat goede ook kan zegevieren. Ondanks verontwaardiging en soms ook teleurstelling, blijft Calvo een possibilist: een politicus die met kleine stappen radicale verandering wil waarmaken. Dromen doet de Mechelaar van een basisinkomen, vrije volksvertegenwoordigers, een erfenis voor iedereen en het einde van extreme rijkdom.
Zulke verandering is alleen mogelijk als we afscheid nemen van de spektakelparticratie en de huidige partijgrenzen durven overstijgen. Deze tijd smeekt volgens Calvo om een sterke progressieve volkspartij, die mensen en ideeën met elkaar weet te verbinden.
De Mechelaar zoekt, twijfelt en reflecteert. Hij laat zich inspireren door generatiegenoten als Rutger Bregman en Alicja Gescinska, maar evengoed door Hans van Mierlo en Rocco Granata. Hun verhalen smelten samen met Calvo’s persoonlijke zoektocht tot vergezichten voor een andere politiek.
Het resultaat is niet het zoveelste verkiezingspamflet. Met dit boek wil Calvo vooral een gesprek op gang brengen over de toekomst van progressieve politiek. Door zijn periode in Nederland eisen onze noorderburen een hoofdrol op. Het boek is dus zeker een aanrader voor alle Nederland-liefhebbers.
Kristof Calvo y Castañer (Rumst, 30 januari 1987) is een Belgisch politicus voor Groen. Hij vertegenwoordigt sinds 13 juni 2010 de kieskring Antwerpen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Hij is sinds 1 januari 2013 gemeenteraadslid in Mechelen.
Calvo zet interessante ideeën uit. Aanrader voor politiek geëngageerde mensen die op zok zijn naar verklaringen voor het wantrouwen tussen burgers en politici en vice versa.
Het boekje Staat van vertrouwen van Kristof Calvo verklaart het onbehagen van de burger als reactie op het wantrouwen van de overheid zelf bij het uitvoeren van haar overheidstaken. Misbruik moet worden voorkomen. Dat leidt tot vernederende situaties, waarbij mensen in de bijstand voortdurend gecontroleerd worden. De uitvoeringsorganisaties werken (noodzakelijkerwijs) rigide en door de automatisering is ook het directe contact tussen burger en overheid verdwenen. De aardbevingsproblematiek in Groningen en de Toeslagenaffaire zijn daarvan de sprekende voorbeelden. De kleinere overheid heeft alleen maar een tegengesteld effect bereikt: meer regels, meer controle, meer kosten, meer wantrouwen.
Calvo, zelf 15 jaar lang Belgisch parlementslid voor de Groen/Ecolo fractie, pleit voor meer gelijkheid in de samenleving. De helft van de Belgische bevolking verdient slechts 20% van het inkomen en beschikt over 10% van het vermogen. De ongelijkheid wordt bestendigd door het meritocratische ideaal als zou via onderwijs en opleiding iedereen gelijke kansen hebben. Dat is overduidelijk niet het geval. Kinderen van hogere inkomens kwalificeren zich makkelijker voor de betere banen. De ondergeschoven positie van de ongeschoolde werknemers leidt tot rancune ten opzichte van de elite en de “heren in Brussel of den Haag”. Calvo pleit voor een brede middenschool, open sollicitaties, meer loting, en een basisinkomen.
Calvo stelt verder dat het klimaatbeleid geen steun zal vinden bij de bevolking als de superrijken (de ‘pollutocraten’) een onevenredige hoge bijdrage blijven leveren aan de opwarming van de aarde en daarmee wegkomen, terwijl het armere deel van de bevolking met stijgende energieprijzen te maken krijgen zonder geld voor isolatie, warmtepomp of elektrische auto. Volgens Calvo heeft gedragsverandering van individuele burgers (“een beter klimaat begint bij jezelf”) geen effect. Er moeten structurele maatregelen genomen worden om de economie en de landbouw te vergroenen.
Helaas verklaren al deze redenen niet waarom de helft van de bevolking nu als reactie op populistisch rechts stemt. Wilders was ook één van de Kamerleden die tien jaar geleden de Bulgarenfraude op hoge toon aan de orde stelde. Ook was hij kamerlid terwijl de aardbevingen in Groningen steeds grotere vormen aannamen. Ook Pim Fortuyn was ooit voor een kleinere overheid.
Ook is de vraag of meer gelijkheid meer steun voor het klimaatbeleid zal opleveren. Voor de rechtse populist mag het klimaatbeleid door de shredder, dat heeft Wilders goed door. Eigen belang eerst. Men vreest maar al te zeer dat een linkse regering de leuke dingen voor de mensen zal verbieden: vliegen, autorijden, vleeseten, alcohol, etc. Om over het kosmopolistisme, het vrijlaten van de immigratie, en nog meer “woke” zaken maar te zwijgen. Ondertussen zijn er meer schoolverlaters dan ooit, een aanzienlijk deel van de bevolking kan niet lezen en schrijven, het lachgasgebruik neemt sneller toe dan de CO2 uitstoot, en de vaccinatiegraad daalt.
Zie voor een uitgebreide bespreking van dit boekje en andere essays over populisme: Civis Mundi #145
Ideeënstrijd, daar gaat het om bij Calvo, zowel in de vorm van ideetjes als de grotere gedachten waarmee we ons leven vormgeven. Zo maakt hij duidelijk dat het gros van de politiek zich laat leiden door een negatief mensbeeld. De burger wordt gezien als iemand die alleen maar uit is op eigen gewin, als klant. En wie als klant wordt behandeld, gaat zich ook zo gedragen, met hoge verwachtingen en gemakkelijke teleurstellingen. Hoe anders zou het zijn als je de burgers en samenleving behandelt als een gezin, een familie, suggereert Calvo.
Goed boek, vlot geschreven. Het is geen doorwrocht politiek of filosofisch essay en Calvo weeft er hoofdstukken tussen die diverse inhoudelijk/politieke issues behandelen, als kapstok uiteraard voor zijn ideeën, maar met weinig inhoudelijke meerwaarde. Mijn waardering gaat naar de eerlijkheid en de bescheidenheid waarmee hij het debat aangaat, de zeer relevante verwijzingen naar onderzoek en geschriften van interessante denkers en naar het lef waarmee hij een aantal radicale voorstellen formuleert. Ik ben ook gecharmeerd door zijn herhaaldelijk pleidooi voor een ‘staat van vertrouwen’, de premisse dat de meeste mensen deugen, dat zij het waard zijn om én gehoord én betrokken te worden bij het besturen van ons maatschappelijk bestel. Het laatste hoofdstuk is een mooie samenvatting van zijn bezorgdheden en van ‘radicale’ voorstellen om de democratie terug op het juiste spoor te zetten.