Allard van Benniq Methorst, voormalig Europees kampioen correspondentieschaak, leidt een kluizenaarsbestaan. Met bloedhond Sok woont hij aan de rand van een klein dorp. De briefschaker verlaat zijn erf nooit, zelfs niet voor een wandeling of een boodschap. Geplaagd door boze visioenen en angsten die hem lamleggen lukt het hem steeds minder goed om een schaakpartij te spelen. Om de dagen door te komen correspondeert hij met vrienden en een twaalfjarige leerling. In zijn epistels verhaalt Allard over de pijnlijke relatie met zijn vader, een verloren liefde, zijn schaakfilosofie en het ontstaan van de verstikkende fobieën die hem aan zijn woonstee kluisteren. Wanneer de overheid hem huis en haard dreigt af te nemen ten behoeve van een nog aan te leggen spoorlijn, zakt hij steeds dieper weg in de waanzin. Door brieven te blijven schrijven probeert hij, in een venijnig eindspel, nog enige greep op de werkelijkheid te houden. Met deze schitterend gecomponeerde roman toont debutant Alexander Baneman zijn beheersing en stilistische brille. Hij slaagt erin, met empathie en psychologisch inzicht, de ontstaansgronden van een angststoornis bloot te leggen. De schim van Raamswolde sleurt je steeds dieper mee in het relaas van de meesterschaker, tot je als lezer net zo gevangen zit in Allards hoofd als hijzelf.
📖 "Schaken is een vreemd verschijnsel. Het is een andere werkelijkheid, binnen de dagelijkse realiteit. Een schaker streeft naar perfectie. Het perfecte, of zuivere spelverloop bestaat alleen ergens waar wij het niet kunnen zien. Wij kunnen ons er alleen een beeld van vormen."
Zo schrijft de hoofdpersoon Allard van Benniq Methorst in een brief aan een leerling. Hij doet aan correspondentieschaak en zet daarbij zijn filosofie over het spel uiteen.
"Schaken is een dialoog", jazeker, maar in 'De schim van Raamswolde' komt het vooral over als een monoloog. Het boek bestaat namelijk louter uit brieven, geschreven door Allard die sinds enkele jaren als een kluizenaar leeft en alleen de postbode en een boodschappenjongen ziet. Waar hij grootse gedachten en prachtige woorden neerpent (ik noteerde spleen, frenetiek, selachofoob), heeft hij zijn leefruimte heel klein gemaakt. De hond maakt dat hij nog rondjes op het erf loopt, maar verder gaat het niet. Door zijn schrijfsels aan vrienden en niet-verzonden epistels aan een vroegere liefde leer je de schaker beter kennen. Verschillende angsten, die met het schaken overzichtelijker lijken, houden hem aan huis gekluisterd. Geen wonder dat een gemeenteambtenaar met sloopplannen Allards hoofd overhoop gooit. Het rusteloze schrijven, het verwarren van de verschillende gebruikte datumnoteringen.
Maar wat is er precies waar? In hoeverre gaat de gepredikte verbeelding, zo belangrijk voor het spel, met de speler zelf aan de haal?
Je moet het maar durven, debuteren met een brievenroman. Alexander Baneman kreeg de kans bij Van Oorschot en zo ligt er een uniek verhaal op tafel. Benieuwd naar meer van deze auteur in de toekomst!
Het duurde even voor ik me kon overgeven aan dit boek. Een eenzijdige briefroman, in feite een uitgestrekte monoloog van een fantast, wordt al snel te aanstellerig. Dat viel uiteindelijk mee. Ik was geboeid door de omschrijvingen van angst, van spijt en van een zware jeugd, die doorwerkt in het heden. Ik geloofde in Allard, door wiens gekleurde blik we alles meekrijgen. In zijn beschrijvingen en toespelingen beginnen de personages in het boek, hoofdzakelijk zijn respondenten, op Allard zelf te lijken. Maar hij heeft zich dan ook altijd in een heel specifiek milieu begeven. Zelfs met (tot) een kind (Daniël) praat (schrijft) hij niet anders dan met zijn literaire vrienden-- ongetwijfeld sprak hijzelf als kind al ongeveer op diezelfde toon en had hij het onprettig gevonden als volwassenen hem kinderlijk zouden bejegenen.
Baneman geeft in het dankwoord aan dat hij het boek niet goed wist af te ronden. Dat zie ik wel. Het einde is vlug en doet wat goedkoop aan. Zoetsappig zelfs. Toch blijft open (ondanks zijn confirmaties) of Allard zich heeft vrijgevochten uit zijn angstvallig bestaan, wat onwaarschijnlijk is, of dat hij eindelijk aan zijn wanen ten prooi is gevallen. Hoe dan ook ben ik blij dat Baneman dat niet voor de lezers heeft ingevuld. Allard is en blijft de enige die in dit boek aan het woord mocht komen, zelfs als hij de spreekbuis zal blijken van aandriften die Baneman bij zichzelf of zijn naasten herkend heeft.
_____ NB. En, o ja, ieder die de documentaire *Liefde voor Hout* (1979) van Jop Pannekoek heeft kunnen waarderen reken ik sowieso tot waardig volk. Het is alsof Baneman dat tijdsbeeld nu extra luister heeft bijgezet; alsof de personages, mensen van vlees en bloed uit een nu vervlogen tijd, in dit boek verder mochten leven. In een alternatieve werkelijkheid, weliswaar, maar niet eentje die minder echt is--althans niet voor schakers--dan déze werkelijkheid.
Een brievenroman met slechts één zender, qua concept merkwaardig. Zo wordt het een geschreven monoloog. Met diverse verhaallijnen. Het schaken als een grote spellijn, de relaties met vrienden en geliefde een andere en het kluizenaarschap van de schrijver een andere. De brieven blijven onbeantwoord. Dat geldt ook voor het slot. Er rest mij wat beoordelingstwijfel.