In Martelaarschap verkeert J.J. Voskuil in een diepe existentiële crisis. Zijn laatste strohalm, het dagboek dat hem al 27 jaar dag in dag uit lucht geeft, biedt hem geen uitweg meer. Halverwege 1966 houdt hij helemaal op met zijn notities. Hij ploetert dan nog wanhopend door aan Binnen de huid, zijn geniale zelfafrekening, die hij begin 1968 voltooit. Daarna valt hij stil, tot hij in 1972 de pen weer oppakt en het schrijven herontdekt. Eerst wat plichtmatig, maar al snel raakt Voskuil in een ware schrijfkoorts, alsof een slapende vulkaan tot uitbarsting komt. De lezer krijgt in Martelaarschap Voskuil op zijn scherpst te zien. In zijn haat tegen het Bureau, belichaamd door Dick Blok (Jaap Balk) en Jo Daan (Dé Haan), die hij dood wil schieten of slaan. In de bizarre verslagen van de dagenlange echtelijke botsingen met Lousje. In zijn fulmineren tegen de auto. In zijn ironische schets van een snel veranderende samenleving waarin hij langzamerhand verwordt tot een relict. Dit alles doorspekt met anekdotes, confidenties en onweerstaanbaar komische dialogen. Martelaarschap is voer voor intellectuelen, maar ook voor iedereen die weleens een intellectueel de nek om heeft willen draaien.
J.J. (Johan Jacob / Han) Voskuil (1926–2008) publiceerde in 1963 de 1207 pagina's tellende roman Bij nader inzien. Het boek, dat zowel een roman van een generatie als een psychologische roman is, gaat over een groep vrienden, studenten Nederlands in de periode 1946–1953, die een aantal jaren samen optrekken en in de traditie van Du Perron en Ter Braak discussiëren over leven, literatuur en politiek. Aan het eind van de roman moet de hoofdpersoon Maarten Koning, Voskuils alter ego, erkennen dat de vriendschap die er leek te zijn, niet meer dan een illusie was. Bij nader inzien werd in 1991 door Frans Weisz verfilmd voor de VPRO. De serie werd met drie gouden kalveren bekroond.
In 1996 keerden Voskuil en Maarten Koning terug in de kolossale roman Het Bureau die in totaal zeven delen telt: Meneer Beerta, Vuile handen, Plankton, Het A.P. Beerta-Instituut, En ook weemoedigheid, Afgang, De dood van Maarten Koning. De roman beschrijft het leven van Maarten Koning als medewerker van het Bureau: het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Kern van de roman is de vraag hoe mensen die dag in dag uit met elkaar moeten samenwerken zich tot elkaar verhouden.
In 2002 verscheen Requiem voor een vriend, waarin Voskuil voor het eerst zijn alter ego Maarten Koning loslaat. De hoofdpersoon van het boek is niet de schrijver zelf, maar Jan Breugelman. Het boek is een geschiedenis van een vriendschap, die haar oorsprong vindt op de middelbare school, vorm krijgt op de universiteit en in de jaren daarna steeds hechter wordt. In februari 2004 verscheen het eerste deel van de Voettochten: Terloops. Het bevat tien verslagen in dagboekvorm van wandelingen door Frankrijk. Het tweede deel, Buiten schot verscheen in 2005, en het derde en laatste deel, Gaandeweg, is in de zomer van 2006 verschenen. In maart 2007 verscheen Onder andere, een verzameling portretten en herinneringen. Voskuil overleed op 1 mei 2008 na een kort ziekbed. Postuum verschenen zijn romans Binnen de huid en De buurman en de essaybundel Ik ben ik niet, ingeleid door Detlev van Heest.
Net als bij de twee eerdere delen duurde het even voor ik de smaak te pakken kreeg. Vanaf 1973, als Voskuil op stoom komt, leest het prettiger, maar echt lekker leest het bijna nooit. In de periode 1965-1972 (de eerste honderdvijftig bladzijden van Martelaarschap) noteert Voskuil weinig in zijn dagboek, zo weinig dat de bezorgers uit armoede enige brieven en brieffragmenten hebben ingelast. De boosaardige Voskuil bij wie je onder de oppervlakte sardonisch schrijfplezier vermoedt – de reden dat ik hem graag lees –, laat zich in die eerste periode nauwelijks vinden. Voskuil maakt een crisis door en schrijft met tegenzin, ook als hij vanaf juni 1973 de frequentie flink weet op te schroeven. In de eerste notitie van 1973 gaat het ook over die tegenzin: ‘Gisteravond, toen ik als zo veel avonden nergens toe kwam, dacht ik bij het naar bed gaan dat het misschien goed zou zijn dat op te schrijven. Vanavond, nu het weer zo is, moet ik me daartoe dwingen, omdat ik niet weet wat ik schrijven moet, zo volstrekt zinloos lijkt alles me.’ (p. 156) Het is dagboekanieren tegen heug en meug. Voskuil schrijft dapper verder (in geen jaren noteerde hij zo veel en zo vaak), maar verzucht zo’n twee weken later wel: ‘Het schrijven verwatert alweer. Er zit geen richting in, geen geloof, geen doel.’ (p. 178) Vervolgens emmert hij toch door, min of meer op dezelfde voet; de volgende ruim driehonderd bladzijden van Martelaarschap zijn gevuld met dagboeknotities uit 1973, waarna honderdtweeënzestig pagina’s volgen met de eerste helft van 1974. Misschien kan wat Voskuil in een notitie uit augustus 1973 schrijft dienen als verklaring voor het matte gevoel dat ik tijdens het lezen vaak had: ‘Het gevaar van een dagboek als dit zijn de eindeloze opsommingen van wat je gedaan hebt, zoals hiervoor. Er is niets aan te doen. Het heeft mij er jarenlang van weerhouden nog iets op te schrijven. Want pas als dat achter de rug is, kun je de pen weer in vrijheid bewegen. Het is een volledigheidsdrift waar ik niet omheen kan. Iedere dag moet het stramien worden opgezet en pas als dat gedaan is, kun je je gang gaan.’ (p. 314) Helemaal afwezig is de schrijver van de grootste roman uit de Nederlandse literatuur (Het Bureau) in dit deel gelukkig niet. Een passage als de volgende (waarin ik toch weer voorzichtig mijn favoriete Voskuil meen terug te vinden) maakt veel goed: ‘Op het Bureau was ik alleen. Iedereen werkte thuis, is thuis of is met vacantie. Een voorstel voor een interne regeling geschreven, […] een werkje dat mij vrijwel de hele dag heeft beziggehouden en resulteerde in een lijvig rapport. Alles is tot in details vastgelegd. Verrassingen zijn ingecalculeerd en daardoor uitgesloten, het menselijke element is tot een minimum teruggebracht. In een nazistische gemeenschap zou ik een soort Eichmann zijn.’ (p. 218) Ik ben benieuwd of de pen in het volgende deel (met daarin notities uit de jaren 1974-1976) weer wat vrijer gaat bewegen.
“Martelaarschap”, die veelbetekende naam heeft het vervolg op “Capitulatie”. Het derde deel van de dagboekuitgaven van J.J. Voskuil gaat over de jaren 1965-1974. In het overgrote deel van die periode is de schrijver veertiger. Biedt “Martelaarschap”, in vergelijking met “Capitulatie”, meer van hetzelfde? In sommige opzichten wel, dat kan haast niet anders – en gezien het buitengewone plezier dat ik aan het lezen van die eerdere dagboeken heb beleefd acht ik dat bepaald geen minpunt. Als ik nu hieronder uiteenzet hoe de dagboeken die Voskuil in deze levensfase schreef op mij als lezer zijn overgekomen, ligt het wat mij betreft in de rede vooralsnog voort te borduren op de belangrijkste onderwerpen in mijn bespreking van “Capitulatie”.
Het leven van alledag viert gelukkig ook in “Martelaarschap” hoogtij, zoals ook het anekdotische wederom volop aanwezig is. Waar het gaat om de beschrijving van echtelijke ruzies vertonen beide categorieën nogal eens overlapping; men hoeft maar iets van Voskuil te hebben gelezen, om te weten dat die schering en inslag zijn. Anders dan de auteur lijkt zijn vrouw Lousje als veelvuldig initiator ervan aan dergelijke botsingen af en toe een intens genoegen te beleven – zoals ook, een halve eeuw na dato, menig lezer van de desbetreffende, soms hilarische dagboekpassages zal smullen. Over letterlijk alles weet Lousje wel onenigheid of een conflict te creëren, iets simpels als een enkele geranium volstaat hiertoe (pp. 161-165). Dagenlang kunnen zulke ruzies voortduren en een maal, een novum in de dagboeken, komt er in deze jaren zelfs een beperkt fysiek geweld aan te pas. Onderhoudende anekdotiek betreft ook nogal eens de ontmoetingen met vrienden, althans personen die Voskuil in het verleden op enig moment als zodanig heeft aangemerkt. Met name moet hierbij worden gedacht aan Bert Weijde en aan Frida Vogels – wier broer Kees trouwens eveneens schitterend, in een paar bladzijden (521 e.v.), wordt geportretteerd als gemankeerd gastheer. Aan de competitieve, doorgaans stilzwijgende Frida lijken de beide Voskuilen eigenlijk ronduit een hekel te gaan krijgen. Onbetaalbaar is voorts het verhaal over Bert Weijde, die met zes of zeven pasgeboren katjes in huis zit waarvoor hij onderdak moet zien te vinden – en waartoe dat zoal leidt (pp. 50 e.v.). Overigens is het contact met Frida Vogels, en soms haar echtgenoot Ennio, voor Voskuil ook nog wel eens aanleiding terug te vallen in moralistische en intellectualistische beschouwingen als men in groten getale tegenkomt in het eerste deel van de dagboekuitgaven (“Bijna een man”) en in zijn debuutroman “Bij nader inzien”. Over het algemeen hebben zulke anekdotes een tamelijk trieste ondertoon, en dat is minstens zozeer het geval met hetgeen Voskuil (ook) in zijn dagboeken te berde brengt met betrekking tot zijn schoonmoeder, de centrale figuur in zijn fictieve werk “De moeder van Nicolien” (het eerste boek van hem dat ik las en dat meteen naar heel veel méér smaakte). Hierin komt een voor mij onvergetelijke scène voor, waarin het echtpaar Voskuil thuis met (schoon)moeder uit het raam zit te kijken naar de rondvaartboten in de gracht. Moeder is dementerend en merkt keer op keer, vragenderwijs, op dat die boten toch niet zullen blijven varen als het donker wordt; dat ze het daarmee niet bij het rechte eind heeft omdat er dan verlichting wordt ontstoken, wil maar niet tot haar doordringen – uitermate herkenbaar voor lezers die iets vergelijkbaars (hebben) ervaren met een van hun naasten. Anekdotes als de onderhavige treft men in “Martelaarschap” eveneens aan, edoch ook een passage als: “’Vroeger werd Zandvoort het joden-aquarium genoemd,’ zegt moeder, als ze met L. over de boulevard in Zandvoort loopt. Maar nu valt het haar honderd procent mee. ‘Waar zouden die toch allemaal gebleven zijn?’ vraagt ze wat verbaasd” (p. 352), door de bezorgers voorzien van een voetnoot over antisemitische vooroordelen waarmee volgens Voskuil zijn schoonmoeder behept zou zijn geweest. Wat hiervan verder ook zij, waar in de dagboeken iets van vertedering doorklinkt heeft die vaak, gewild of ongewild, betrekking op haar (en sporadisch, ik kom hier nog op terug, zowaar ook op Lousje). Voor een gesprek met tot in den treure repeterende inhoud blijkt de auteur overigens geenszins aangewezen op zijn dementerende schoonmoeder. Zo stuiten we in de context van het dagelijks werk bij de Bureaus voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde op een uiterst humoristische, bijkans onvoorstelbare en tevens enigszins tenenkrommende discussie met medewerker Jaap over de systematiek van het selecteren en opbergen van knipsels (pp. 270-272).
Voskuils professie, door hem hartgrondig verfoeid, brengt ook met zich dat hij dikwijls op pad is om buiten Amsterdam vraaggesprekken te voeren met boeren en ambachtslui. Zijn ervaringen met te dier zake gemaakte reizen komen overeen met die welke hij en Lousje doorgaans opdoen tijdens uitstapjes voor hun plezier. De weergoden plegen hem niet gunstig gezind te zijn en treinen rijden, of hij nu alleen reist dan wel samen met haar, altijd net weg op het moment dat men op het station arriveert. Met het busvervoer is het niet anders gesteld. Landschap en locaties waar hij aan gehecht is verloederen of verdwijnen (“Niets wordt ons bespaard”, p. 103), mede onder invloed van het almaar toenemende autoverkeer. De stemming heeft hier veelal ernstig onder te lijden, hetgeen de schrijver tot uitspraken brengt als: “Ik wou dat iedereen die een auto heeft morgen dood was” (p. 173), en: “Het stonk naar benzinegassen en het leefde van de auto’s. Moge God ze vernietigen” (p. 263). Geen wonder dus dat Voskuil zijn lidmaatschap van de ANWB opzegt, welke organisatie ‘in toenemende mate een vereniging van auto-bezitters is geworden’, waar hij zich niet meer in thuis zegt te voelen (p. 54). Een bescheiden lichtpuntje dient zich, van november 1973 tot begin januari 1974, nog wel aan in de vorm van een reeks autoloze zondagen. Dit brengt ons bij het tijdsbeeld en de tijdgeest die, in de periode 1965-1974, in de dagboeken om de hoek komen kijken. Zo worden de werkgerelateerde interviews vanaf enig moment vastgelegd met behulp van een band- of cassetterecorder, en kan van samenwerking met collega-wetenschappers in Zuid-Afrika geen sprake zijn: wie zich aldaar bezighoudt ‘met de volkskunde van de Boeren, accentueert onder de huidige omstandigheden onvermijdelijk de apartheid’ (p. 55), welk standpunt mij uit de criminologie van die jaren niet onbekend is. De oorlog in Vietnam komt eveneens ter sprake in de dagboeken, net zoals de situatie in het Midden-Oosten: Israël en de Palestijnse zaak. Over deze laatste kwestie neemt Lousje, gewoontegetrouw partij kiezend voor de underdog, zodanig fel standpunt in dat als de huidige Israëlische premier Netanyahu haar vandaag de dag op straat zou tegenkomen hij er verstandig aan zou doen een blokje om te lopen, al was het maar om te voorkomen dat ze hem op karaktervormende wijze eens danig de les zou lezen. Voorts lezen we voor het eerst een dagboeknotitie over iets wat heden ten dage een serieuze kans zou maken als grensoverschrijdend gedrag te worden opgevat, maar waar Voskuil verder geen woorden aan vuil maakt: “Achter me twee meisjes over hun baas: ‘Je hebt een lekker kontje,’ zei hij tegen me” (p. 365). Wat de gemoederen in ons land wel bezighoudt, en ook enige discussie oplevert binnen het Voskuil-huishouden, is de zogeheten Dennendal-affaire, betreffende discutabele nieuwe praktijken in de zwakzinnigenzorg (p. 543). Verder zijn het vooral de onschuldige jaren waarin hippies en Hare Krishna in het straatbeeld opduiken, en van de opkomst van het fabrieksbrood (“De straten waren gepavoiseerd met kleine vlaggetjes waarop reclame werd gemaakt voor King Corn”, p. 362), van de kennismaking met het verschijnsel ‘tuner’ ter vervanging van een traditioneel radiotoestel en met iets wat wordt aangeduid als ‘plastic discus’, met welke term wel een frisbee zal zijn bedoeld. Nederland ziet het kabinet-Den Uyl (1973-1977) aantreden, en krijgt te maken met oliecrisis en benzinedistributiebonnen. Het zijn zulke details die de bejaarde lezer van “Martelaarschap” moeiteloos terugvoeren naar een tijd die hij zelf in zijn veel jongere jaren heeft meegemaakt.
Voskuils afkeer van de (zijns inziens ‘zinloze’) werkzaamheden en de aanwezigheid die van hem wordt verwacht op ‘Het Bureau’ passen volledig in het beeld dat men als lezer zal hebben overgehouden aan de onder die naam gepubliceerde fictie. Ook op andere punten vallen daarbij weinig discrepanties te bespeuren, al vraag ik me intussen wel af of het in werkelijkheid niet een andere zeer naaste medewerker van Voskuil dan ‘Bart Asjes’ is geweest die keer op keer voorwendde niet op het werk te kunnen verschijnen omdat hij ziek zou zijn of misschien zou kunnen gaan worden. De bezorgers van het derde deel van de dagboekuitgaven zijn overigens zo attent geweest allerhande passages in de dagboeken te voorzien van voetnoten die verwijzen naar vindplaatsen in het tweede en het derde deel van de romancyclus, “Vuile handen” (uit 1996) respectievelijk “Plankton” (1997), wat het voor de ultiem geïnteresseerde lezer heel gemakkelijk maakt de congruentie tussen fictie en non-fictie nader te bestuderen. Ook waar “De moeder van Nicolien” (1999) in het geding is, wordt die mogelijkheid nog wel eens geboden. Aan het manuscript van “Binnen de huid” blijkt Voskuil te hebben gewerkt tussen 12 januari 1964 en 8 februari 1968; het boek zou evenwel pas dik veertig jaar later, na het overlijden van de auteur, verschijnen. Deze ‘geniale zelfafrekening’, zoals de roman wordt getypeerd achterop het stofomslag van “Martelaarschap”, zou zoveel van hem hebben geëist dat er voor het schrijven van dagboeknotities en brieven weinig gelegenheid overbleef. Duidelijk is wel dat de vraag of “Binnen de huid” al dan niet zou moeten worden uitgegeven Voskuil in deze periode sterk bezighoudt. De medemens, met wie hij in het leven van alledag tegen wil en dank wordt geconfronteerd, houdt de schrijver nog altijd bezig als een vrijwel permanente bron van ergernis en agressie. Voor de frequente typering van Meertens en diens opvolger Blok als ‘proleet’, ‘schoft’ en ‘klootzak’ zal hij zo zijn redenen hebben, en de opmerking dat de wetenschap ‘een corrupte bende’ vormt komt evenmin helemaal uit de lucht vallen. Waar het gaat om BN’ers uit die tijd –welke term Voskuil uiteraard niet gebruikt–, pleegt echter nagenoeg iedere onderbouwing van een vernietigend oordeel te ontbreken: minister-president Piet de Jong is een ‘schoft’, net als trouwens de destijds bijzonder populaire schrijver Godfried Bomans. Diens collega Harry Mulisch wordt uitgemaakt voor een ‘klootzak’. In ruimer verband worden personen vlotweg getypeerd als ‘racisten’, en in Enschede heeft Voskuil weinig te zoeken: ‘de oude mensen die je ontmoet zijn gegarandeerd infantiel’ (p. 52). Zijn haat jegens automobilisten strekt zich nu mede uit tot jongens op brommers: men zou ze moeten doodmaken.
Zo manifesteert de dagboekschrijver zich in “Martelaarschap” wederom als een wrokkig en gekweld man. Achterop het stofomslag van het boek wordt zelfs gerept van ‘een diepe existentiële crisis’. Wat hiervan ook zij, van deze terminologie, zonneklaar is dat Voskuil op een aantal fronten zeer forse problemen en ongenoegens ervaart – op contactueel en relationeel, op emotioneel en toch ook wel op fysiek gebied. Dat er, in de eerste plaats, wat schort aan zijn contactuele eigenschappen, wordt door de schrijver in tal van notities en in uiteenlopende bewoordingen aan de orde gesteld. Zo lezen we over ‘mijn gebrekkige techniek in het leggen van menselijke contacten’ (p. 225), alsmede: “Ik had een geweldige hekel aan […] mijn onvermogen om met wie dan ook gewoon om te gaan” (p. 553). En, naar aanleiding van een gesprek met een nicht van Lousje: “Als ik niet zo goed raad weet met een ander, verval ik in de rol van inquisiteur. Het is geen echte belangstelling. Ik wil niet eens wat weten, alleen maar het gesprek aan de gang houden” (p. 541). En heel cynisch, wanneer hij iemand aan de telefoon krijgt die te kennen geeft ‘verkeerd verbonden’ te zijn: “Misschien zocht hij contact. Dan was hij inderdaad verkeerd verbonden” (pp. 323-324). Als mogelijke verklaring voor zijn weinig optimaal sociaal functioneren noteert Voskuil op enig moment: “Ik heb het gevoel dat er tussen de meerderheid van de mensen een geheime afspraak bestaat waarin ik niet ben opgenomen” (p. 66). Het is trouwens nog maar de vraag of hij het altijd even erg vindt als hij zich buitengesloten voelt of weet, of een dergelijk isolement misschien niet voor een belangrijk deel een eigen, welbewuste keuze is. Hoe dan ook heeft hij over mensen ‘die ik liever niet ontmoet (bijna iedereen)’ (p. 97). Een tweede cluster van telkens weer, wellicht bijna permanent, opspelende problemen is gelegen in gevoelens van angst, onveiligheid, wantrouwen, een zich door wie of wat dan ook bedreigd (menen te) voelen. Zo lezen we over Voskuils ‘angst om moedig te zijn’ (p. 97), ‘om met onoplosbare moeilijkheden geconfronteerd te worden’ (ibid.), en over ‘honderd-en-één gevaren die je bedreigen en die misschien nooit werkelijkheid zullen worden’ (p. 98). Over zijn huis noteert hij: “Ik vind het een fijn huis, maar ik voel me in situaties als deze (en die doen zich nogal eens voor) bedreigder dan ik me op de Lijnbaansgracht voelde, waar ik me ook bedreigd voelde” (p. 367). Soms slaagt de schrijver erin de herkomst van gevoelens als de onderhavige te herkennen en daar, letterlijk, afstand van te nemen: “Ik voel me bedreigd, een gevoel dat me pas verlaat als het Bureau met zijn zinloze verplichtingen een flink stuk achter me ligt” (p. 324). Andersoortige gevoelens van onveiligheid die tot een min of meer specifieke bron is te herleiden, lijken welhaast onvermijdelijk: Voskuil signaleert genoeg verkeer ‘om je leven niet meer zeker te zijn, is het niet door een doodsmak over de neus van […] auto’s, dan toch op wat langere termijn door de uitlaatgassen’ (p. 173). Fysieke problemen ten slotte dienen zich, al dan niet in het verlengde van spanningen als door de hierboven aangestipte emotionele perikelen teweeggebracht, aan in de vorm van slapeloosheid en hoofdpijn die met grote frequentie terugkeren.
Aldus verkeert Voskuil in deze levensfase in een complex-problematische situatie. In zijn dagboeken –die hij in dergelijk verband betitelt als een requisitoir tegen hemzelf– poogt hij bij tijd en wijle te analyseren wat daaraan ten grondslag ligt. “Het zal wel iets met mijn jeugd te maken hebben: een diep doorgevreten wantrouwen tegen alles en iedereen […] hoe onredelijk het ook is” (p. 180). Als grote boosdoener ziet hij vanzelfsprekend zijn werk op het Bureau, maar zelfs vakantievoorbereidingen worden hem wel eens te veel: “Ik kan alleen handelen als ik rustig in mijn stoel zit, met een miniem, eendimensionaal probleem op een krukje voor me, en de zekerheid dat ik vele mensenlevens de tijd heb en niet verplicht ben het op te lossen” (p. 471). Behalve een gebrek aan contactueel vermogen wordt dus ook een gebrek aan handelend vermogen door hem als zodanig herkend. Dat is overigens dan weer niet het geval met nog een derde soort gebrek aan vermogen: hijzelf zo min als Lousje (zij al helemaal niet!) lijkt in de verste verte niet in staat om wat voor kwestie dan ook te relativeren. Twee bestendige factoren blijven, mijns inziens ten onrechte, buiten het domein van de analyses die Voskuil wijdt aan zijn eigen persoon en ‘rotleven’. Met betrekking tot zijn echtgenote vraagt hij zich weliswaar soms af wat haar rol is in de conflicten die zich telkens voordoen, maar daar blijft het bij. Waar het gaat om de complexiteit en de mogelijke verwevenheid van allerhande problemen op het stuk van menselijk contact, zich bedreigd voelen, uiteenlopende spanningen, hoofdpijn, slapeloosheid en wat dies meer zij zal Lousje toch ook wel een, soms causale, factor van betekenis zijn. Opvallenderwijs, en voor een buitenstaander niet altijd gemakkelijk te begrijpen, geldt zij voor Voskuil als een soort veilige thuishaven en blijft zij in de dagboeknotities volledig buiten schot als de bron van onveiligheid die zij in een bepaald opzicht wel degelijk vormt. Integendeel zelfs, vaker dan in “Bijna een man” en “Capitulatie” het geval is komt men in “Martelaarschap” notities tegen waarin de schrijver tedere, liefdevolle of anderszins positief op te vatten gevoelens jegens zijn vrouw tot uitdrukking brengt, hoe ingetogen soms ook: “L. is de enige bij wie ik me niet verveel” (p. 347). Zulks doet in ieder geval deze lezer deugd. Een andere bestendige factor met mogelijkerwijs niet te onderschatten invloed op zijn leven wordt door Voskuil helemaal niet als zodanig onderkend, maar mag hier evenmin onvermeld blijven: de overmatige hoeveelheid alcohol die het echtpaar pleegt te consumeren. De drank zal ongetwijfeld de broodnodige ontspanning hebben gegeven, maar naar we mogen aannemen toch ook zijn uitwerking hebben gehad op onaangename aangelegenheden als hoofdpijn, somberheid, slapeloosheid en niet te vergeten opvliegendheid.
Wat is me verder nog opgevallen bij het lezen van de dagboeken 1965-1974? Bepaalde dingen komen niet of nauwelijks aan bod, zoals een eventuele band met de beide kinderen van Voskuils broer Bert: nichtje Anneke en neefje Nils, alsook de dagelijkse bezigheden van Lousje. Deze zorgt natuurlijk voor het huishouden (zo staat het eten altijd ‘klokslag zes uur op tafel’; p. 579), besteedt veel aandacht aan haar in Den Haag wonende moeder en lijkt incidenteel drukproeven te corrigeren (p. 465), maar veel meer komen we daarover niet te weten – wat dan toch een weerspiegeling zou kunnen zijn van een terecht verwijt van haar kant dat Voskuil eigenlijk maar weinig interesse in haar heeft. Duidelijker dan in eerdere dagboeken komt beider liefde voor dieren uit de verf. Deze neemt zodanige vormen aan dat ze blij zijn als het ’s nachts bij luid gekerm uit het belendende perceel niet om de hond van de buren blijkt te gaan die ervan langs krijgt, maar om de vrouw des huizes die pijn ondervindt: “Toen ik aan het kreunen eindelijk hoorde dat het Wil maar (sic) was, was dat een opluchting” (p. 115). Weer wat meer plaats dan in “Capitulatie” is in “Martelaarschap” ingeruimd voor de beschrijving van dromen, maar gelukkig niet zo veel als in “Bijna een man”. Merkwaardigerwijs treffen we in het derde deel van de dagboekuitgaven relatief veel zinsneden aan waarin bij wijze van tussenwerpsel of anderszins ineens ‘God’ om de hoek komt kijken. Blij verrast ten slotte was ik te constateren dat ook het, reeds in 1973 niet altijd florissante, bestaan van mijn favoriete voetbalclub Sparta niet aan mijn lievelingsauteur is voorbijgegaan (pp. 387-388).
Deel drie van Han Voskuil zijn dagboeken tekent hem ten voeten uit. Het Bureau-werk dat hij plichtmatig en deskundig wil doen gecombineerd met de naast dagelijkse ergernis aan anderen, aan de absoluut niet op zijn maat gesneden (commissie)vergaderingen. Zijn haast onaangepaste sociale (on)vaardigheden die hem vaak tot mensenhater reduceren. Hij aarzelt ettelijke malen niet om sommigen gewoon dood of geliquideerd te wensen. De vriendschap met Frida Vogels die gestand blijft ondanks even zovele ergernissen aan haar streben. Zijn politieke wispelturigheid van een links liberaal en revolte hater. Iemand zou eens de kilometers moeten tellen die hij, al dan niet samen met Lousje aflegt. Hun ruzies, vaak om echt niets, die bladzijden lang duren en alsnog en steeds weer expliciet of stilzwijgend worden beslecht met verontschuldigingen. Hij noemt, ze zien aankomend in het station “een meesterwerk”, hun liefde blijkt onvoorwaardelijk. Kortom “maartelaarschap” is de perfect gekozen titel voor dit dagboek. Verwonderend genoten van zoveel dagelijkse Voskuil-schrijverij.
Bij de aankondiging van deel 4 dit deel uitgelezen zodat ik niet zonder zit. Met kleine stukjes tegelijk het afgelopen halfjaar. Voskuil is geen sympathiek persoon in zijn dagboeken; hij noemt zich zelf een racist en is iemand die vrouwen moeilijk serieus kan nemen. Toch leef je met hem mee omdat hij zijn principes en voorkeuren zo consequent en onverbloemd laat zien, en daaruit zelf geen mooiere conclusie trekt. Het theoretiseren, over levenshouding en menselijke verhoudingen, is in dit deel veel minder. En het is genieten van de korte tafereeltjes op straat of kantoor, de prachtige dialogen, de zorgvuldig opgebouwde ruzies met Lousje en het met een paar woorden beschrijven van het weer of een sfeer. In die stukken is zijn stijl ongeëvenaard, kan eigenlijk niet beter. Regelmatig ook bijzonder grappig.
Fijne en steeds beter leesbare dagboeknotities. Grandioos hoogtepunt vond ik de beschrijving van een uitstapje naar Enkhuizen en de boot naar Friesland (p. 251-256). Dit had echt alles wat Voskuil lezen zo aangenaam maakt. Het geneuzel van en met Frida verveelde me nogal. Dat zal deels te maken hebben met hoe Voskuil die ontmoetingen beschrijft: reuze ongemakkelijk.