Hoe ga je met misdaden als die van de kopstukken van de nazipartij om, vroeg Hannah Arendt zich in 1946 af. Natuurlijk kon je zo’n criminelen wel ophangen, maar op zich bleef dat altijd onvoldoende. De wandaden van het nazisme hadden alle strafrechtelijke kaders vernietigd. Een gepaste straf was dus in feite onmogelijk. Maar toch moest die er komen volgens de winnaars van WO II. Dat wisten ze al een paar jaar voor die oorlog afgelopen was. Er moest een precedent geschapen worden, dit mocht nooit meer gebeuren.
Dat precedent zag het levenslicht in Neurenberg, een stad met een grote symbolische waarde omdat Hitler er zijn Rijkspartijdagen organiseerde en er een justitiepaleis stond dat als bij wonder vrijwel ongeschonden uit de bombardementen was gekomen. En dat in tegenstelling tot de rest van de stad die zo goed als met de grond gelijk was gemaakt en waar 187.000 Duitsers, de helft van voor de oorlog, tussen de stank van rottende lijken op zoek waren naar wat eetbaars, regenwater dronken en tegen de dysenterie vochten. In dat Neurenberg werden vanaf 20 november 1945 de befaamde processen tegen de misdadigers van WO II gehouden, georganiseerd door de Britten, Amerikanen, Fransen en Sovjets.
Die naties begaven zich daarbij op glad ijs, want zoiets was nooit eerder gedaan. Hoe ver strekte bijvoorbeeld de rechtsgeldigheid? Kon je ministers veroordelen voor iets waarop er geen strafwetten stonden toen ze de vermeende misdaad pleegden? Bovendien schreeuwde de uitsluiting van Duitse rechters op het proces om een reactie. Was dit niet gewoon wraak, in plaats van de zogezegde rechtvaardigheid waarmee de Amerikanen zwaaiden? Churchill zag alvast meer in een standrechtelijke strafexpeditie en de Sovjets wilden er eerder een traditioneel showproces van maken, terwijl het de op overleven gefocuste Duitsers allemaal weinig kon schelen. Dus moest er ruchtbaarheid komen. De pers zou niet alleen de boodschap van de processen uitdragen, dachten de Amerikanen, hij zou ook over het goede verloop ervan waken. En dus werd er in het nabijgelegen kasteel van potloodfamilie Faber-Castell een heus perscentrum ingericht waar de fine fleur van de internationale journalistiek onderdak kreeg.
In Het schrijverskasteel gaat Uwe Neumahr doorheen de levens en artikels van die journalisten op zoek naar de essentiële vragen die de processen van Neurenberg opwierpen. In hoeverre stond hier een stel individuen of wel een hele natie terecht? Was er uiteindelijk niet iets mis met alle Duitsers en niet alleen met die nazi’s? Die invalshoek blijkt niet alleen een bijzonder originele, maar ook een vruchtbare te zijn omdat onder de 250 journalisten die de rechtszaak bijwoonden heel wat bekende namen waren, zoals de Amerikaanse schrijver John Dos Passos, zijn Russische collega Ilja Ehrenburg, Elsa Triolet, die een jaar eerder als eerste vrouw ooit de Prix Goncourt had gekregen, en Erika Mann en Martha Gellhorn, twee journalistes die niet alleen omwille van hun afkomst, respectievelijk dochter van Thomas Mann en vrouw van Ernest Hemingway maar ook op basis van hun eigen merites tot de wereldtop werden gerekend. In het potloodkasteel leerde Markus Wolf, het latere hoofd van de binnenlandse veiligheidsdienst van de DDR, pokeren en versloeg het Amerikaanse nieuwsanker Walter Cronkite zowat iedereen met tafeltennis terwijl de latere West-Duitse bondskanselier Willy Brandt naar een potje schaken tussen Oost en West zat te kijken. Neumahr schrijft erover alsof hij er zelf bij was, net zoals heel wat journalisten die er in 1945 niet geraakt waren trouwens. Zo schreef Alfred Döblin, de man van Berlin Alexanderplatz, een brochure over het proces zonder er ooit bij aanwezig geweest te zijn. En de Amerikaanse journalist die pochte dat hij samen met John Dos Passos, Ernest Hemingway en John Steinbeck in de badkamer had gestaan maakte het helemaal te bont aangezien die laatste twee nooit in Neurenberg waren.
Neumahr volgt een chronologische opbouw en koppelt de belangrijkste gebeurtenissen van het proces dat door menigeen gekenschetst werd als een lange geeuw aan de relevante observatoren. Zo laat hij bijvoorbeeld het belangrijkste verhoor, dat van Hermann Göring, die omdat hij net voor het einde van de oorlog in opstand was gekomen tegen Hitler op een vrijspraak rekende, zien door de ogen van de Amerikaanse journaliste Janet Flanner, die helemaal in de ban raakte van het spitse intellect van de nazi. Een man met een sterke persoonlijkheid en een verfijnde smaak, schreef ze, maar tezelfdertijd ook amoreel, doortrapt, en gewelddadig, iemand waar Machiavelli trots op geweest zou zijn. En dat terwijl die Amerikaanse aanklager gewoon een onwetende oen was.
Het schrijverskasteel bevat talloos veel opzienbarende, relativerende en vooral ook tot denken aanzettende verhalen, over het verschil tussen verantwoordelijkheid en schuld bijvoorbeeld, maar ook over wat Hannah Arendt de onvatbaarheid van sommige misdaden noemde. De initiatiefnemers van de processen van Neurenberg deden dit niet alleen voor het verleden, ga je al gauw inzien, maar ook voor de toekomst, en dus ook voor vandaag.