Geloven is iets dat je aangereikt krijgt. Je vraagt niet om een bekering, maar een bekering overkomt je. Als je tot de ontdekking gekomen bent dat je niet meer om God heen gaat, word je steeds herinnerd aan Zijn aanwezigheid. Dat overkwam Willem Jan Otten toen hij in de coronatijd voor het Katholiek Nieuwsblad schreef over de mis die hij vanwege de lockdown niet kon bijwonen: de mis die hij miste. Dat boek, Zondagmorgen, werd het Theologisch Boek van het jaar. Tijdens het schrijven van dit boek werd hij geconfronteerd met dé vraag waar het op aankomt, de vraag waar je niet onderuit komt: Wie zeggen jullie dat Ik ben. Het is de vraag van Jezus aan Zijn leerlingen. De vraag die Jezus niet plompverloren aan hen stelt, maar vooraf laat gaan door een andere vraag: Wie zeggen de mensen dat Ik ben. Blijkbaar is het eerst nodig om te horen wat anderen over Jezus zeggen voor je zelf kunt verwoorden wie Jezus is. Dat was de ervaring van Willem Jan Otten: toen hij deze vraag in de Bijbel las, moest hij eerst anderen laten vertellen hoe zij op deze vraag antwoordden. Want de vraag van Jezus hoe je over Hem denkt, vraagt om stilte en de intimiteit van liefde. Je hoort hoe anderen na de stilte een antwoord formuleren en toch de intimiteit behouden. Otten schrijft dat dit ook zijn manier van denken is: denken via anderen. Het is ook zijn manier van geloven: eerst anderen aan het woord laten komen. Het is eigenlijk de kerk van alle tijden en plaatsen die met je mee geloven en woorden aanreiken, ware het niet dat degenen die aan het woord komen niet allemaal belijders zijn. Otten heeft ze wel nodig om te geloven: de dichters, de schrijvers, de componisten, de filmregisseurs: van Les Murray tot Olivier Messiaen, van Titus Brandsma tot Terence Malick. Zonder hen zou hij - menselijkerwijs gesproken - nooit kunnen geloven.
Otten noemt het zelf een ‘wanordelijke christologie’. Maar kun je geordend denken als je op je liefde wordt bevraagd? Kun je geordend denken als God in je leven komt, ook als je er niet op vraagt of op rekent? Zelf noemt Otten deze korte hoofdstukken: drieëndertig manieren om hetzelfde niet te begrijpen. Korte impressies die indruk maken, omdat Otten steeds weer laat zien hoe Christus ook vandaag de dag kan voordoen en ervaarbaar is. De 33 korte hoofdstukjes gaan vergezeld met 33 schilderijen van Paul van Dongen over hetzelfde onderwerp. Deze schilderijen zijn niet ontstaan nadat Van Dongen de tekst van Otten las, maar tegelijkertijd. Van tevoren spraken ze af, wat er aan de orde zou komen en afzonderlijk van elkaar gingen ze aan het werk.