In “Parkeren in Hilversum” vertelt Detlev van Heest opnieuw een deel van zijn in ieder geval voorheen veelbewogen levensverhaal. Eerder demonstreerde hij, de zogeheten Voskuil-epigoon die volgens sommige recensenten het niveau van zijn grote voorbeeld niet kan benaderen en dat volgens anderen zelfs overstijgt, zijn schrijftalenten in achtereenvolgens “De verzopen katten en de Hollander” (2010), “Pleun” (eveneens 2010) en “Het verdronken land; terug naar Japan” (2011). Zo kort na elkaar als deze titels verschenen, zo lang heeft het geduurd voordat de lezer mocht vernemen hoe het Van Heest verder verging – niet in Japan en Nieuw-Zeeland, ditmaal, maar in Nederland.
Wel komen diverse personen uit die landen waar Van Heest eerder heeft gewoond ook in “Parkeren in Hilversum” wel eens, of vaker, om de hoek kijken, zoals het Japanse echtpaar Zevenzeeën en het koppel Pleun en Annemarie uit Nieuw-Zeeland, alsmede Van Heests (aanstaande ex-)echtgenote Annelotte. Het meest prominent aanwezig zijn Han en Lousje Voskuil, uit wier kring de lezer ook Frida Vogels, haar Italiaanse echtgenoot Ennio en, vooral, broer Kees ontmoet, die in Arnhem nog enige tijd woonruimte verhuurt aan Van Heest. Van een zekere literaire reünie lijkt wel sprake te zijn, wanneer ook nog eens door mij gewaardeerde schrijvers als Koos van Zomeren en Alfons Lammers hun opwachting maken. Weer andere figuren daarentegen lijken onder pseudoniem te worden opgevoerd, de auteur is daar niet helemaal consequent in. Overigens ontbreekt een register van personen. Als bezorger van de dagboeken van J.J. Voskuil moet Van Heest wat dat betreft het klappen van de zweep toch goed kennen, maar wellicht is het gehalte fictie in het onderhavige boek zo hoog dat hij meende zo’n register beter achterwege te kunnen laten (het kan natuurlijk ook zo zijn dat het bezorgen van die dagboeken hem zo veel tijd en moeite heeft gekost, en nog steeds kost, dat Van Heest er voor zijn eigen werk niet meer aan toekwam).
Wat de auteur zijn lezers evenmin op een presenteerblaadje aanbiedt, is een aanduiding van de tijd waarin de ogenschijnlijk of vermoedelijk non-fictieve werkelijkheid zich afspeelt. Zo wordt op enig moment duidelijk dat dat voor een belangrijk deel in het jaar 2007 moet zijn, maar daarvoor dient men wel goed in het oeuvre van Voskuil te zijn ingevoerd en te weten dat diens, niet met name genoemde, boek met een hoofdstuk over Kees Vogels “Onder andere” heet en in dat jaar verscheen (een andere aanwijzing staat verderop, op pagina 98, waar wordt vermeld dat de in 1952 geboren Kees in het jaar in kwestie zijn elfde lustrum viert). Waar het om Van Heests eigen boeken gaat is het dan weer aardig dat hij enige aandacht besteedt aan de totstandkoming van “De verzopen katten en de Hollander” en “Pleun”, en aan de steun en de betrokkenheid die hij daarbij ondervond van de zijde van Han Voskuil. Mijn hoop dat nu meteen maar eens uit de doeken zou worden gedaan wanneer en op welke wijze de vriendschap met het echtpaar Voskuil zich ontwikkelde, werd helaas niet bewaarheid; enig speurwerk op internet wees evenwel uit dat Van Heest, als liefhebber van het werk van Voskuil, vanuit Japan een correspondentie met hem startte.
Waar het, afgezien van het trieste levenseinde van Han Voskuil, in “Parkeren in Hilversum”, vooral om draait, is het tragikomische verloop van de carrière van de auteur – van baantjes bij een callcenter en in de huiswerkbegeleiding tot, uiteindelijk, dat als parkeercontroleur. Veel van hetgeen Van Heest in die hoedanigheden, evenzogoed trouwens als in andere contexten, meemaakt, weet hij puntig, humoristisch en met oog voor detail te verwoorden. Voorbeelden te over, onder meer:
Tegen zijn potentiële huisbaas Kees: “Als u wilt dat ik begin met roken, dan wil ik dat natuurlijk wel proberen” (p. 19);
Bij het graf van zijn moeder: “Haar grafsteen was nog schever gezakt. Omdat ze mank was, lieten mijn zusje en ik dat maar zo” (p. 57);
In de trein: “Een vrouw keek onze coupé in. Tegen haar man zei ze minachtend: ‘Een coupé vol boekenlezers’” (p. 94);
Over een hem onbekend meisje, eveneens in de trein: “In Utrecht stapte ze uit, nadat ze me vriendelijk gedag gezegd had. Weer een kans verkeken om met mijn aanstaande vrouw te praten” (p. 103);
Over een mogelijk carrièreperspectief: “Met een studie zou ik mijn kansen op een baan vergroten. Welke studie? Een studie voor simpele geesten. Rechten dus” (p. 160);
Over een kennis: “Een slap ventje, in wie ik mijzelf herkende” (p. 270).
Ten slotte, in gesprek met een oude man, die in de tram informeert haar het soort werk dat Van Heest doet en die door hem wordt gewezen op de epauletten die de auteur als parkeercontroleur draagt: “Hij keek me onderzoekend aan. ‘Fysiotherapeut?’ ‘Ik ben inderdaad een soort fysiotherapeut. Mensen kunnen opeens heel hard lopen als ze mij zien’” (p. 395).
Voorwaar, zinnen en passages als deze vind ik vermakelijk en onderhoudend, ze verschaffen me een hoop leesplezier. Echter, nog voordat “Parkeren in Hilversum” halverwege is, begint Van Heest zijn tot dan toe erg geslaagde boek ineens finaal om zeep te helpen. Vanaf pagina 231 worden, allengs vaker, de huisdieren van de auteur en van het echtpaar Voskuil opgevoerd: twee sprekende, denkende, de Winkler-Prins-encyclopedie lezende en ook nog eens brieven en briefkaarten schrijvende katten, waarvan de in die periode uit Nieuw-Zeeland aan Van Heest nagezonden poes Kootje de Voskuilen zelfs aanschrijft als ‘oom Han’ en ‘tante Lousje’. Een klap in het gezicht van in ieder geval deze lezer, zo zeer dat hij ervan gruwde als hij bij het omslaan van een bladzij weer zo’n poezenafbeelding tegenkwam die erop duidt dat er een niet-menselijk wezen aan het woord komt. Gênant, en hooguit misschien tot op zekere hoogte acceptabel voor zover het zou gaan om teksten die (een van) de Voskuilen en Van Heest uit naam van hun katten daadwerkelijk aan hun vriend(en) zouden hebben doen toekomen – op een min of meer indirecte wijze, omdat de werkelijkheid van Voskuils levenseinde, in 2008, in enig opzicht te pijnlijk was voor een realistischer beschrijving. Wat een zonde van het boek, ook al zou een en ander geheel in lijn zijn met de wensen en opvattingen van de beide Voskuilen, met name wellicht weduwe Lousje, te dier zake.
Ceterum censeo dat schrijvers uit de Randstad zich wel eens wat meer aan de provincie Zeeland gelegen zouden kunnen laten liggen. Net als in mijn recensie van “De som van alle bewijs” van Peter van Koppen wil ik erop wijzen dat er, anders dan Van Heest op p. 116 beweert, geen gemeente Zierikzee meer bestaat en dat de –toevalligerwijs (?) aan Van Heests voormalige liefdesconcurrent Pleun gelieerde– stad van die naam al in 1997 is opgegaan in de gemeente Schouwen-Duiveland.