De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren verschijnen voor het eerst sinds de dood van de schrijver in 1979 zoals hij het bedoeld had: in één band. De welig woekerende roman, op de eerste bladzijde badinerend 'een plas, een zee, een chaos' genoemd, is het groepswerk van de schrijver Boontje en zijn vrienden van de Kapellekensbaan. Druk discussiërend werken ze aan een kroniek van het naoorlogse cynisme. Bovendien trekken ze vanuit hun barbaarse moderne wereld een spoor naar de negentiende eeuw van Ondineke, een klein meisje met grote gedachten dat tevergeefs hogerop probeert te komen terwijl om haar heen het nihilisme kiemt.
Oké, na 3 volledige zomers. Hoe begin ik met uit te leggen wat voor boek De Kappelekensbaan/Zomer te Ter-Muren nu eigenlijk is? Misschien zo: een boek over een boek dat geschreven moet worden, maar dat eigenlijk nooit kan zijn. In onze eigen tijd schrijft de anonieme schrijver een boek over het jaar 1800 en zoveel waarin Oscar en Ondinne leven; een tijd van fabrieken en oorlogen en sociale zekerheid. En dat boek schrijvend heeft onze schrijver behoefte aan nevenfiguren die hem helpen. T’is te zeggen: alter-ego’s van hemzelf die hij zelf tot leven roept in personages als de Kantieke Schoolmeester of Tippetotje het Schilderesje. (En vergeet niet, de schrijver van ons zogezegde boek is een soort van projectie van Boon zelf, wat de nevenfiguren ook projecties van hemzelf maken!) Nu zit het zo dat het oneindige boek dat De Kappelekensbaand/Zomer te Ter-Muren is telkens wordt onderbroken door fragmentjes uit die eigen tijd. Dat wil zeggen dat er telkens een fragment uit 1800-en zoveel wordt afgewisseld met een fragment uit 1900-en zoveel (ofwel ‘onze tijd’, en oh ja: heel soms zijn er ook sprookfragmentjes over het verhaal van Ingengrimus!) En om te besluiten dan dit: de eeuwige vraag waarin men in dit boek worstelt: hoe vecht ik tegen de nieuwe aankomende tijd? En meer nog: hoe schrijf ik een einde aan dit oneindige boek - want fe laatste 100 pagina’s zijn meer dan wat anders een existentieel vraagstuk van Onze schrijver in discussie met zijn nevenkarakters over het gepaste einde van de roman uit 1800-en zoveel. Voila: 1100 pagina’s van misschien wel het beste Nederlandstalige boek voor u uitgeschreven!
Lezen en herlezen. Dit is, samen met 'Zomer Te Termuren' zonder twijfel een meesterwerk. Ik geef toe dat het in het begin een inspanning vraagt van de lezer om Boontjes hersenspinsels te volgen maar éénmaal je in het hoofd van Boontje huist woon je in een literair paradijs.