ÔGod wat een idioot plan!Õ Na het einde van een grote, onmogelijke liefde neemt Renate Rubinstein in 1951 een radicaal besluit. Ze verbrandt haar schepen achter zich en vertrekt, eenentwintig jaar oud, naar Isra‘l. Woont acht maanden in een kibbutz, dan twee jaar in Jeruzalem, en maakt intussen tal van reizen door het land. Alles in de hoop het spook van de voorbije liefde af te schudden. Haar belangrijkste gezelschap is daarbij haar dagboek. Scherp beschrijft ze het uitzonderlijke land waar ze nu woont, de jonge staat die na de holocaust een nieuw begin wil maken voor de joden van de wereld. Zo mogelijk nog scherper kijkt ze naar zichzelf, een jonge vrouw die, om haar eigen redenen, ook al op zoek is naar een nieuw begin. Wat wil ze eigenlijk? Wat heeft Isra‘l te maken met haar liefdesverdriet? Twijfel Trainen, een keuze uit de Isra‘lische dagboeken, met een nawoord van Hans Goedkoop, geeft een uniek, intiem beeld van die zoektocht. In de aantekeningen ondervraagt Renate Rubinstein zichzelf met koppige naviteit over liefde, angst, herinnering en landschap, zonder te weten wat de lezer nu wel dat ze de basis legde voor een schrijverschap dat haar in later jaren tot de invloedrijkste columnist zou maken die ons land ooit kende.
Rubinstein werd geboren in Duitsland. Ze moest op jonge leeftijd vluchten, waarna zij via Amsterdam en Londen uiteindelijk weer in Amsterdam terechtkwam. De vlucht van familie Rubinstein mocht niet baten, want de Duitsers arresteerden in 1940 haar Joodse vader en vermoordden hem later in Auschwitz. Deze gebeurtenis zou een bepalende factor worden in Rubinsteins leven en werk. Haar hele leven zou ze blijven zoeken naar een vader-figuur, wat volgens sommigen haar band met de Duits-Britse socioloog Norbert Elias zou verklaren.
Rubinstein volgde het Vossius Gymnasium te Amsterdam, maar werd na vier jaar van school gestuurd. Ze werkte drie dagen per week bij uitgeverij G.A. van Oorschot, en leefde samen met de jurist Willem Frederik van Leeuwen. Vervolgens werkte ze drie jaar in een kibboets in Israël en studeerde ze twee jaar aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Op grond van die studie kon ze in 1955 worden toegelaten als student politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens haar studie, die ze na twee jaar afbrak, begon ze haar carrière als schrijfster onder andere bij het Nieuw Israelietisch Weekblad en Propria Cures. Later schreef ze voor Vrij Nederland (VN), Het Parool, NRC Handelsblad, Avenue, Hollands Weekblad, Hollands Maandblad en Tirade.
Haar VN-columns, die vanaf 1962 wekelijks verschenen onder het pseudoniem Tamar, hadden een trouw publiek en werden gekenmerkt door een beknopte en heldere stijl, met soms zeer persoonlijke ontboezemingen over haar echtscheiding (gebundeld in Niets te verliezen en toch bang) en haar ziekte (gebundeld in Nee heb je) en verder over uiteenlopende onderwerpen zoals Friedrich Weinreb (polemiek met Willem Frederik Hermans), bijstandsmoeders (polemiek met Hugo Brandt Corstius over Selma Vrooland), wereldpolitiek, binnenlandse aangelegenheden, katten en bloemen.
In 1977 werd bij Rubinstein multiple sclerose geconstateerd. Dit bracht grote veranderingen in haar leven teweeg, die ze te boek stelde in Nee heb je (1985). Rubinstein overleed op 61-jarige leeftijd. Ze werd begraven op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied.
Kort na haar dood verscheen haar boek Mijn beter ik, waarin onthuld werd dat ze jarenlang een geheime verhouding had met Simon Carmiggelt. Eerder was ze getrouwd met de literair criticus Aad Nuis en met de psycholoog en columnist Jaap van Heerden.
Een inkijkje in de ontstaansgeschiedenis van de grote columniste. Haar poging om te ontsnappen aan de pijnen van een verloren liefde in de gloednieuwe joodse staat. En het echec van beide. De gloednieuwe staat stelt erg teleur. En de pijn van de verloren liefde geraakt ze niet kwijt. Alles nog in een wat rudimentaire stijl opgetekend. En toch herken je al de latere bevlogenheid en authenticiteit. Wat een vrouw!