Met veel plezier las ik dit dagboek van Jip dat ongeveer een week beslaat. Jip schrijft aan een jij, fantaseert over de jij, en denkt terug aan Oever (wat ik in dit boek een fantastische naam voor een kind vind, waarschijnlijk had ik die naam in het echt aanstellerig gevonden). De titel Oever verwijst hier denk ik niet perse naar de vriend Oever die in het boek beschreven wordt, maar naar waar de scheiding tussen jongen en meisje precies begint en eindigt. Die vraag wie Jip nu precies is wordt prachtig beschreven, niet echt in taal voor een jongvolwassene, maar ach:
‘Stel je dit voor.
Op een lome zondagmiddag pak je een rommelkom en kiep je die om op tafel. Er rollen wat dingetjes af, je raapt ze op, legt ze terug bij de rest en je begint de boel te sorteren. De pennen gaan naar het pennenbakje, de knoopjes leg je opzij en naai je eindelijk weer vast aan dat overhemd, de sleutelhanger die je als souvenir hebt gekocht maak je met een spijkertje vast aan de muur in de wc naast de vakantiefoto’s, het luciferdoosje gaat naar de keuken, de knikkers gooi je in een speelgoedton op zolder, etc.
En dan?
Er blijft altijd iets over.
Een dingetje dat zich niet thuis laat brengen. Wat is het? Je houdt het dingetje tussen je vingertoppen, draait het opnieuw en opnieuw in je hand maar je weet niet waar je het laten moet.
Het is een restje.
Weet je wat ik dacht?
Dat ik zo was.
Zo’n restje.’