Nadat hij onder invloed van ‘de boze tijdgeesten’ fictie de rug had toegekeerd, besloot Christophe Vekeman op zoek te gaan naar de waarheid en belandde hij, uit adoratie voor de Britse schrijver C.S. Lewis, samen met zijn vrouw voor enkele dagen in Oxford. Daar maakte hij dingen mee die voor een keerpunt in zijn leven zouden zorgen, en die hem meer bepaald, na vele jaren van schoorvoetend twijfelen, definitief de stap deden zetten naar een zo krachtig mogelijk geloof in de verrezen Heer Jezus Christus.
Onder meer door middel van gedichten, gezangen, brieven aan zijn vriend en collega Peter Terrin, woeste preken, jeugdherinneringen, bespiegelingen over Johnny Cash, polemische dromen, waargebeurde reisverhalen en ingetogen dagboekfragmenten brengt de voormalige romanschrijver in Tot God verslag uit van deze stap.
Onze eigen schuld was dat, overigens, die verbanning uit de Hof van Eden, onze grote schuld, die wij allemaal, heel democratisch, met elkaar gemeen hebben en delen, zonder aanzien des persoons, zowel de mannen als de vrouwen. Maar ik dwaal af, vrees ik, ik vrees het echt. Ik moet je iets anders vertellen. Ik stel het uit, maar het moet – er is iets gebeurd
Het boek 'Tot God' leest als een trein ... Het is boeiend, persoonlijk, ernstig en vaak humoristisch. Ik heb het in enkele uren uitgelezen en er erg van genoten. Het is geen tijdverspilling, maar neemt je mee naar de existentiële vraag, waar het leven om draait, of er leven is na de dood, wat we moeten denken over de Bijbel, enz. en of we God met de rede kunnen vinden of niet ... Een interessante zoektocht, dus. Het is een ernstig boek, gebracht in Vekemans' typische onnavolgbare stijl! Chapeau ...
Ik heb dit boek graag gelezen! Ik lees niet zo veel non-fictie en al helemaal geen boeken waar je eigenlijk gewoon de auteurs gedachten meebeleeft. Maar deze keer was ik echt mee in zijn gedachtegang! Ik lees eigenlijk te weinig Nederlandstalige boeken, onze taal is zo veel rijker dan je denkt. Echt hele mooie, lange en ingewikkelde zinnen met zeer elegante woorden. Qua inhoud vond ik persoonlijk niet echt dat er een verhaal in zat, maar vond het heel leuk om mee te reizen in de auteurs ervaringen met geloof.
“Ik lig helaas niet in een deuk om al het onrecht en de pijn op deze wereld, druk niet buiten adem en verteerd door lachkrampen iedere zieke hongerlijder of eenieder die op straat ligt te creperen gierend op het hart dat in het licht der eeuwigheid of van de dood niets of niemand ook maar de geringste betekenis heeft.”
Ik was erbij in de kerk in Leuven en ik wist om eerlijk te zijn al wel dat ik deze recensie zou aanvangen als volgt: niet meteen mijn boek, en al zeker niet omdat ik bij sommige passages me haast verplicht voelde om me te bekeren, ondanks de vele Argumenten, sommige meer overtuigend dan andere (Weg met de liefde! Nooit meer passiemoorden!) Bovendien moest ik me werkelijk waar somtijds (om een Vekemaniaanse term te gebruiken) tot de volgende pagina wroeten, wat ik niet gewoon ben wanneer ik Vekeman, weliswaar een groot stylist maar meestal toch met vlotte pen, lees. Er zijn nog dingen te zeggen, nog zoveel, zeker ook minder goede, maar als ik even stilsta bij wat hij heeft gedaan, vind ik het niet alleen moedig, maar ook knap gecomponeerd. Dit is, ook al is het thema iets totaal anders, een soort van meesterwerk. Dat valt niet te ontkennen. Wederom met franjes aan elk woord, soms dat het de vlotheid echt in de weg staat, maar dan is het op een ander niveau genieten. Ook de vele verwijzingen naar muziek (toevallig ook niet meteen mijn meug, Cash, Dylan ea), filosofie, literatuur en uiteraard alle Bijbelverhalen getuigen van enorm veel puzzelkracht en research. En wanneer het me wat te veel werd, schemerde daar plots de oude Vekeman door die zichzelf genoeg relativeert. Ja, ook zijn nieuwe zelf. Wat ik als boodschap meenemen wil uit dit boek, is niet De Boodschap, zelf eerder atheïst zijnde, maar wel dat we eigenlijk niets zijn. We zijn niets en we weten niets. En dat moeten we accepteren. In dat opzicht ben ik ook gelovig.
In dit poëtische boek komen muziek, literatuur, de waanzin en het geloof prachtig samen. Een openhartig verslag van een zoektocht dat ik bijna in een ruk uit las. Een boek over schaamte en twijfel maar ook over hoop en licht. Een kunstwerk op zich.Ik ga het zeker herlezen.
Christoph Vekeman gelooft in een levende God, dat Jezus voor ons de marteldood is gestorven en dat hij herrezen is uit de dood. Geen half werk over Jezus die toch wel een hippe kerel was, de eerste communist, rebel of activist, nee de zoon van God, mens geworden. Hem volgen, openstaan voor God is voortaan de Boodschap.
De “cultuur-Christen” op zijn Benno Barnards (Vekeman noemt hem niet bij naam, maar neemt hem wel op de korrel), die iets ervaart bij Bach, religieuze kunst of bij de sacraliteit van kerkgebouwen, daar heeft hij niets mee.
De inspiratiebronnen die hij uitgebreid becommentarieert in “Tot God” zijn de Bijbel, waar hij veel uit citeert, katholieke schrijvers (C.S. Lewis, Evelyn Waugh, Chesterton ook denk ik, …) en de Amerikaanse gospel, waar de Lord van ouds een hoofdrol speelt, maar ook de countrymuziek, die -zo besef ik nu- heel erg doordrongen is van het Christelijke geloof. Vekeman is onder andere een Johnny Cash-kenner, heeft al zijn platen en weet uit het blote hoofd wat erop staat. Mijn beeld van de vrolijke Frans die “A boy named Sue” in de San Quentin gevangenis zong of met “Ring of Fire” op krachtige wijze uitdrukking gaf aan de lijfelijke begeerte heb ik moeten bijspijkeren, want de man wist ook stellig te zingen dat “He’s alive” en dan gaat het over Jezus.
Dat was voor mij een eerste positief punt van dit boek: een leerzame reis door gebieden waar ik niet veel over weet: de Bijbel, schrijvers met katholieke of Christelijke inslag en de populaire Amerikaanse muziek en de religieuze dimensie van niet alleen Cash, maar ook Dylan of Cohen en nog vele anderen.
Ik heb ook genoten van de stijl en de taal van Vekeman. Ik kende hem al als een beoefenaar van een verfijnd en soms meedogenloos sarcasme en bijtende, zij het vaak goed verborgen, humor. Bij Vekeman sluimert er voor mij altijd een soort hopeloze belachelijkheid door in zijn universum. Dat vindt je ook nog in dit boek terug.
Maar het is moeilijk om in zo een toonaard te getuigen over je epifanie en je nieuwe overtuiging in het ware geloof in een God die liefde is. Daar is geen ruimte voor spot, sarcasme of cynisme. En dat is de krachttoer die Vekeman in dit boek klaarspeelt. Hij doet het toch.
Er staan religieuze visioenen in de tekst, die qua extatische ervaring aan de verrukking van Middeleeuws mystici à la Hadewych doen denken. Dat gebeurt dan op plekken zoals de grotten van het Gents citadelpark of bij de kerk in Oxford waar C.S Lewis begraven is of in de zee aan het Griekse eiland Patmos, waar Johannes zijn evangelie zou geschreven hebben, ook al in een grot.
De wrange spot en analytische kunde van de oude Vekeman die zich wel eens te buiten ging aan drank en andere drugs vermengt zich met een nieuwe die op zoek is naar een taal om te getuigen van een rechtlijnig compromisloos geloof die ook wel op een roes lijkt.
Je kan het ook met plezier lezen zonder zijn geloof te delen.
Zowel naar vorm als naar inhoud is dit een moedig boek. Wat het helaas nog niet tot een volledig geslaagd boek maakt. Qua vorm bevat ‘Tot God’ zowel gezangen, preken, gedichten, essayachtige passages als persoonlijke ontboezemingen. Dat alles wordt met een grote urgentie – zo lijkt het toch – over de lezer uitgestort in die typische Vekeman-stijl: lange zinnen met veel nevenschikkingen en de nodige herhalingen. De man kan schrijven, laat daar geen twijfel over bestaan, maar zijn manier van formuleren zal zeker niet ieders meug zijn. En eerlijk gezegd heb ik nooit zo van zijn romans gehouden. Dat had voor een deel te maken met de misantropie die er vanaf straalde, maar meest toch met die stijl. En op dat laatste punt verschilt ‘Tot God’ niet zo heel erg van zijn ander prozawerk. Ook hier dacht ik vaak: zeg het nou toch gewoon, wat je te zeggen hebt. In die zin ben ik veel meer fan van de man zijn columns in De Standaard of van zijn onvolprezen bijdragen aan Klara. Die formats – waar hij rekening dient te houden met een beperkte schrijfruimte of spreektijd – zetten hem op scherp en halen het beste in hem naar boven. Wat dan wel weer pleit voor dit boek, is dat het geen klef en sentimenteel bekeringsverhaal is geworden. Vekeman toont de nodige lef en dat zullen hopelijk veel mensen waarderen. Persoonlijk hield ik ook van zijn zijdelingse uitweidingen over Johnny Cash (en consoorten) en stond versteld van zijn bijbelse kennis. Wat ik wel nog steeds vreemd vind, is de man zijn beslissing geen fictie meer te willen schrijven. Een echt duidelijke verklaring daarvoor krijg je niet in dit boek. Ook ik beschouw mezelf als gelovig en net als Vekeman heb ik een psychoanalytische achtergrond. (Een combinatie die destijds gold als vloeken in de kerk.) In psychoanalyse draait het om het menselijk tekort en de ontoereikendheid van de taal. Maar of die taal nu voor fictie of non-fictie aangewend wordt, maakt eigenlijk geen wezenlijk verschil. Tot meer dan wat cirkelen rond de waarheid zijn we als mens hoe dan ook niet in staat. Maar net in de poging de waarheid telkens opnieuw te willen naderen, schuilt heel wat schoonheid. En laat ons ook niet vergeten dat ook in de bijbel prachtige fictie te vinden is. Denken we maar aan de parabels waar Jezus zich van bediende, verhalen die we met recht en rede tijdloos kunnen noemen. En misschien is het ook goed er bij stil te staan dat zelfs waargebeurde verhalen een metafore dimensie hebben. En dat het juist omwille van deze dimensie is dat ze onthouden en overgeleverd worden.
Van voorspelbaarheid kunnen we Christophe Vekeman niet betichten. Of lopen er meer schrijvers rond die na een Tarantino-achtige romanmusical (‘Carwash’, 2021) komen aandraven met een diep persoonlijke, doodeerlijke zoektocht naar God? Weinig schrijvers gaan guller en gulziger om met onze woordenschat. In zijn kenmerkende ironische en bombastische timbre openbaart hij zijn ware godservaring in de Holy Trinity Church in Oxford en hoe die de bestaansvraag van God plotsklaps levensbelangrijk maakte. Om tot de kern door te dringen jongleert de 51-jarige schrijver met flarden Bijbelstudie over de waarachtigheid van Jezus’ verrijzenis, denkbeeldige preken, gedichten, brieven, dromen, overdenkingen bij zijn eigen sterfelijkheid en bij euforische gospelmuziek die hij in verband brengt met bad ass Johnny Cash. De kilte van een wetenschappelijk gedragen atheïsme waarin het universum louter materie is, werpt hij opgelucht af. Hol geworden termen als schuld, schaamte, hoop en misantropie worden benaderd met open vizier en frisse blik. Ettelijke keren springt hij over naar een metaniveau. Van daaruit ontleedt hij zijn eigen geschriften en onderzoekt hij zijn angst voor onverschillige reacties op of verschillende interpretaties van ‘Tot God’. Een teveel aan bekeringsdrang en vergevensgezindheid jegens de kerk compenseert hij met een onkatholieke hoeveelheid humor en zelfspot. We gunnen Vekeman zijn opperwezen dan ook volhartig.
Een wervelende apologie met ballen. Niet dat hij uit een of andere kramp iets te verdedigen had, maar gaandeweg had ontdekt. Zelf spreekt hij niet van een bekering maar van een intensifiëring. De appel was er al langer, in Headington viel hij, zo rijp als op dat moment kon. In De Afspraak van een paar dagen geleden stelde de journaliste van dienst haar gasten voor, en bij Vekeman zei ze smalend: ‘Hij heeft het licht gezien.’ Ik dacht, ach kind, je hebt er helemaal niets van begrepen. Waar is het voorschot aan sympathie, of de ‘neutraliteit’ waar deze tijd de mond zo vol van heeft? Kan jij eigenlijk wel luisteren naar de frisheid van dit?
Zijn boek is wat deze tijd nodig heeft: een stem uit onverwachte en onverdachte hoek, in een eigen taalregister en stijl, druipend van het niet meer kunnen zwijgen. Elke authentieke zoektocht naar waarheid, want dat was het bij Vekeman, niet de troost of de hoop of het gemeenschapsgevoel zocht hij, maar de waarheid, dat verdient respect. Dat het niet strookt met de gangbare cultuur en de hoon desgevallend in kwetsbaarheid moet gedragen worden, dat is dan maar zo. Meteen ook een bewijs van het authentieke karakter van zijn streven, want je moet wel gek zijn als je dit voor de lol of de aandacht wil doen. En Vekeman is misschien dan wel een rare snuiter, gek is hij niet.
Ik vond het boek ook een antidotum tegen het goedzakkige, kritiekloze cultuurchristendom, waar zo moeilijk nog een stem oorspronkelijk klinkt en de harten raakt. Dat heeft dit schrijven wel met me gedaan omdat het die bloedarmoede niet bezit, integendeel, een vrijmoedigheid van geest en een stoutmoedigheid die ik benijd, waar Vekeman vrank en vrij opstaat tussen meewarig schuddende hoofden die die papa in de hemel maar een lachwekkende regressie vinden, een tal van stompzinnigheden verkondigende wereld die zelfgenoegzaam elk ziekte-inzicht wil ontbreken. Dáár middenin, daar waar verveeld de ogen gaan rollen als het woord 'God' valt, zegt hij zonder schroom, zonder rancune, na rijp beraad in schoon Vlaams: ‘Kust ze vierkant, allemaal, ik ben christen.’
Iets meer dan een jaar geleden kondigde Vekeman aan geen fictie meer te zullen schrijven; de woke-dictatuur met haar leger van sensitivity readers en Slachtoffers beperkten hem te zeer in zijn schrijven. En nu ligt er Tot God, een non-fictie relaas van Vekemans epifanie in de kathedraal van Oxford die uiteindelijk tot een soort bekering zal leiden. Het boek beschrijft de twijfel, angst, onzekerheid en schaamte die hij op zijn pad tegenkomt. Maar is het wel non-fictie? Tot God schuurt wel heel dicht tegen de grens van fictie aan. Dat begint al bij de structuur van het boek; bestaande uit onder meer een 'brief aan Peter', psalmen en gezangen is het fragmentarisch opgebouwd als de Bijbel zelf, en Vekeman bedient zich van nog andere literaire strategieën. De brief blijkt gericht te zijn aan Peter Terrin, en ik wil best aannemen dat beide schrijvers goed bevriend zijn, maar anderzijds is het wel een gelukkig toeval dat het net een Peter is, een van de meest bijbelse namen, en niet - ik zeg maar wat - Herman of, godbetert, Saskia. Andere passages zijn dan weer te literair om nog een objectief (hoewel dat, in deze context, inderdaad onmogelijk is) relaas te kunnen genoemd worden. Een hanenkam punker die op de Vrijdagmarkt tot drie keer toe het verraad van Vekeman wegkraait, of een dronkaard die in een latere passage als een flagellant het schip van een kerk komt binnengelopen. Ik blijf als lezer dus vertwijfeld achter. Wat is dit? Het relaas van iemand die God gevonden heeft? Of toch literatuur, verpakt als autofictie in een ironische knipoog naar de woke-demagogen voor wie autofictie nog het enig aanvaardbare genre in de literatuur is? En misschien ligt in die vertwijfeling net de sterkte van dit boek, omdat het precies de vertwijfeling die met dit bekeringsproces gepaard gaat weerspiegelt.
De man, die blijkbaar in Belgische literaire cirkels bekend werd met het dragen van een eeuwige cowboyhoed, ken ik geheel niet. Een eerste poging dit boek te lezen strandde in de wat hermetische gedichten wara het boek mee begint, maar toen kreeg ik een exemplaar cadeau en heb doorgezet: erg boeiend.
Hij vertelt, beginnend met een brief uit Oxford aan een vriend Peter, hoe hij terugrolt in de katholiciteit van zijn jeygd, verteld vanuit een perspectief met kleine wonderen, lange nachten peinzen en diepgravend onderzoek, vooral lezende C.S. Lewis. Een boeiend en overtuigend verslag, verteld met Humor, met plezierige uitwijdingen, en op een stijlorgel dat af en toe zoveel registersw tegelijk opentrekt, terwijl hij me wel weet te blijven boeien, dat ikd enk dat ik nog eens een boek vand e man moet elzen. Non-fictie, bij voorkeur.
Ook leuk: hij wijdt een hele geergerde pagina aan de door mij zeer bewonderde ex-belg en ondetussen Anglicaan Benno Barnard. Dat soort kruisbetuiving is altijd een cadeautje.
‘Ik denk niet dat ik goed en wel besefte, toen, hoezeer ik in de war was,’ begint Christophe Vekeman Tot God, zijn eerste autobiografische non-fictieboek. Het is het verhaal van zijn godservaring in een kerk in Oxford, van zijn liefde voor Gerard Reve en C.S. Lewis en zijn worsteling met Willem Frederik Hermans, maar ook van zijn complete instorting in een grot in het Gentse Citadelpark. Waar eindigt God en waar begint de waanzin, of vind je de een in het ander? Vekeman schrijft gezangen, een stichtende brief aan collega Peter Terrin en droombeschrijvingen die visioenen zouden kunnen zijn, en dat allemaal in de hem eigen breed uitwaaierende stijl, met veel oog voor humor, wat van Tot God een uniek religieus boek maakt.
4 sterren , een biografisch boek over de zoektocht ( of terugkeer) van de schrijver naar geloof , …. De mens is regelmatig een probleem voor zichzelf….. en soms voor een ander ook …., voor of tegen religie ? Ik zou het niet weten als ik energie genoeg heb ben ik voor alles heb ik er tekort tegen alles , meestal val ik tussenin, wat voor , wat tegen , of religie een oplossing bevat of een deel problematisch is , valt waarschijnlijk vanuit verschillende visies te bezien , 4 sterren voor deze lezer die het soms wat te uitgesponnen vond , ofwel heeft deze lezer wat geduld tekort , Een boek over een schrijver die zijn zoektocht/ terugkeer naar het geloof verdedigend omschrijft ,
Moeilijk en verwarrend boek. In het begin zijn er verwijzingen naar muziek die voor de schrijver de aanleiding waren om zich aangetrokken te voelen tot het christendom. Heel mooi beschreven en uitnodigend. Heb zo voor mij onbekende muziek ontdekt zoals Johny Cash. Maar dan wordt er afwisselend over gevoelens, toevalligheden of dromen vertelt die voor mij warrig overkwamen. Sommige stukken waren er zo over dat ik me zorgen maak om de schrijver. Het is geen ‘openbaring’ en niet bevorderlijk voor het geloof. Is het waanzin? Zijn het psychoses? Heel vreemd boek die ik eerlijk gezegd niemand zal aanraden. Wek om één of andere reden toch uitgelezen…
Een moedige zoektocht naar een rationele manier om het (absolute) geloof te bewijzen, soms grappig, geschiedkundig interessant en soms, hier en daar dan weer volledig uit de bocht, onlogisch. Net dat vond ik boeiend: Wie de absolute waarheid wil weten valt … net dat is het verhaal van de slang en de appel … babel. Hij ook verliest zichzelf in gebazel.