"De zon verzonk achter de bergen en een laatste straal bescheen de verraderlijke discipel die zijn hand naar de deurknop uitstak. Lobsang sloop naar binnen en strekte zich eerbiedig uit, om de concentratie van de kluizenaar te testen.
Als Odzer iets tegen hem zou zeggen of zijn groet beantwoordde kon hij òf vertrekken òf blijven als de meester hem dat gebood. Hij wist dat hij zijn leraar nog steeds respecteerde, uit gewoonte misschien, en dat hij bang voor hem was. Hij zou Odzer zeker beroven, maar niettemin...
Tegengestelde gedachten vochten in zijn geest terwijl hij opstond en om zich heen keek. Het was donker in de grot, maar hij zag het zittende lichaam van de kluizenaar bij het licht van een lampje dat op het altaar flikkerde. Odzer's grote gestalte, in een donkerrode pij gekleed, bewoog zich niet. Lobsang schuifelde naar voren en raakte het tafeltje aan dat voor Odzer's zetel stond en waarop de heremiet een schaal met Tsampa en een grote bronzen theepot had neergezet.
Odzer's half gesloten ogen schenen niets te zien. Hij moest zich wel in zijn meditaties verdiept hebben - zijn geest zou duizenden mijlen verwijderd zijn. Lobsang boog en staarde de meester aan. Nee, de oogleden trilden niet eens. Zijn eigen lichaam zou onzichtbaar zijn, was onzichtbaar.
Lobsang deed nog een stapje naar voren en stond tussen de zetel en het tafeltje. Hij was het liefst zo blijven staan, proberend zijn trillende hand te beheersen, maar hij overwon zijn angst en reikte verder, voelde het harde metaal van het relikwie-doosje, sloot zijn vinger om het dunne koord waar het doosje aan hing en hoorde zichzelf schreeuwen.
Gyalwai Odzer's ogen sperden zich open, fixeerden de trillende hand, schenen als gloeiende kolen waaruit flitsende vuurstralen bliksemden."
----
Goodreads schrijft dit boek toe aan Alexandra David-Neel, een illustere Franse avonturier en feminist, die in de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw leefde. Dit klopt niet helemaal. Het verhaal komt in feite van Lama Yongden, haar goede Tibetaanse vriend, die ze op één van haar reizen naar Tibet leerde kennen en meenam naar Frankrijk. Lama Yongden bedacht dit markante Tibetaanse verhaal en Alexandra David-Neel verwerkte het tot een voor Fransen toegankelijk boek.
Ik was onder de indruk van hoe vermakelijk en toegankelijk deze innemende Tibetaanse detective is. Het verhaal volgt de monnik Moenpa die de dief en moordenaar Lobsang door de meest desolate gebieden van Tibet en China achtervolgt. Op zijn speurtocht verzeilt Moenpa in allerlei situaties die hem dwingen om van koers te veranderen - zowel in de fysieke wereld als in de geestelijke. Daarmee is het boek niet enkel een thriller, maar ook een spirituele zoektocht in de Tibetaanse-boeddhistische traditie. Een terugkerend thema is dat het leven - realiteit - niet meer dan een weerspiegeling is van onze eigen projecties, dat onze gedachten schilderingen zijn op het doek van het grote lege niets en dat alle realiteit uiteindelijk vanuit het niets ontspringt. Hoewel dit misschien nihilistisch klinkt weet het verhaal dit, door de interacties van Moenpa met de buitenwereld, juist betekenis en kleur te geven. De vele interacties die Moenpa heeft met handelaren, monniken, herders, minnaars, bandieten, elementen en de natuur zijn de kracht van dit boek. Elke interactie is een verhaaltje op zichzelf en bevat een boeddhistische levensles. Daarnaast leert het de lezer ook over de Tibetaanse leefwereld van weleer.
Dit boek was, kort, toegankelijk en vermakelijk. Ik heb het met erg veel plezier gelezen. Meer dan ik vooraf had gedacht.