***(*)
Deels memoire, deels reclameboodschap, maar toch vooral idealisme, daarover gaat dit boek geschreven door Patrick Grant, één van de juryleden van The Great British Sewing Bee.
Dit boek is een pleidooi om te consuminderen, om eerder kwaliteit dan plastic brol te kopen. Dit boek is een lofzang op de ambachtsman, over mensen die de mooiste stoffen maken, de beste schoenen. In het kort: het gaat over vakmanschap.
Grant zegt, en ik kan hem daar wel in volgen, dat je langer nadenkt over duurdere aankopen, dat je er gehecht aan bent, dat het met de jaren waardevoller wordt en je koopt er uiteraard ook minder van omdat het gewoon veel langer meegaat.
In het verleden, en ik heb dat verleden nog meegemaakt, hadden de mensen veel minder spullen. Dingen werden ook doorgegeven, of het nu over kleding of meubels of nog iets anders ging. Een te klein geworden, zelfgemaakte, trui werd uitgetrokken en er werd iets anders mee gemaakt (mijn gele trui werd een paar kousen, dat was toen ik een jaar of 5 was denk ik).
Verder klaagt hij ook aan, en hier volg ik hem 100%, dat mensen te goedkope kleding kopen. Kleding die gemaakt werd in erbarmelijke omstandigheden vaak, kleding gemaakt uit niet natuurlijke stoffen, uit olie, kleding die de wereld vervuilt, niet alleen bij het maken, maar ook wanneer het weggegooid wordt. Want ja, die kleding wordt erg snel weggegooid. Ze heeft geen waarde, ze kost soms minder dan een Latte, waarom zou je het houden? Het is toch al na 2 keer dragen kapot.
En zo vervuilen we onze wereld, door te kopen bij Shein, Temu en consoorten.
De maakindustrie is al lang naar het verre oosten gegaan. Indien we zouden bereid zijn om meer te betalen voor iets, (en bedachtzaam om te gaan met bezit, niet altijd meer meer meer willen) zou men hier nog steeds meer werkgelegenheid hebben in de textiel, in de mode- en meubelateliers.
Eigenlijk is dit boek een pleidooi om te vertragen, om weer meer eerbied te hebben voor mensen die meester zijn in hun vak, kleermakers, schoenmakers, meubelmakers, voor iedereen die zijn vak met passie kan uitoefenen ipv een job te hebben om de rekeningen te kunnen betalen. Het is ook die passie die maakt dat je een job volhoudt.
Soms vind ik het boek te naïef. Vooral wanneer hij verwijst naar het verleden. Het was dan zeker niet allemaal rozengeur en maneschijn. De mensen konden dan wel veel zelf maken, ze moesten toch ook wel wroeten om te overleven, om alle monden te voeden, en over de grauwe miserie die er was wordt er al helemaal gezwegen.
Ook is het een beetje allemaal "zie hoe goed ik bezig ben". En er is wel erg veel herhaling!
Maar de boodschap is klaar en duidelijk: ga voor minder én beter én herwaardeer het vakmanschap.
In het geval van doorgeven en hand-made items ben ik wel goed bezig. Zie mij hier zitten in mijn zefgebreide trui, kijkend naar de zetelkes van mijn doopmeter uit de jaren '40 van vorige eeuw, met achter mij een kastje van mijn grootmoeder, ergens uit de jaren 30 én onder mijn voeten een mooi Afgaanse handgeknoopt tapijt dat mijn moeder kocht in de vroege jaren 70. Van alles hier rondom mij weet ik van waar het komt, de kadertjes, de lamp, de zetelkes etc. Ze zijn belangrijk voor mij. Ik zal ze zeker niet wegdoen voor iets anders. Ik heb mijn geschiedenis én het vakmanschap van velen rondom mij.