Het rommelt en bruist in het Europa van de lange achttiende eeuw. Grootmachten Pruisen, Frankrijk, Spanje, Groot- Brittannië en Oostenrijk botsen met elkaar in opeenvolgende oorlogen, de Verlichting doet zijn intrede en in de salons wordt aan tradities en de samenleving gewrikt. Tussen al dat gewoel probeert Joseph Jean François de Ferraris (1726-1814) zijn plaats bij de Habsburgse elite te veroveren, én te behouden. Daar slaagt hij wonderwel in. Hij komt in een goed blaadje te staan bij de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia en wordt een beschermeling van prins Karel van Lotharingen en keizer Jozef II.
Met zijn kaart, de Ferrariskaart, wil Ferraris het Weense hof overtuigen om de Oostenrijkse Nederlanden onder de kroon te houden. Het resultaat is de eerste grootschalige en gedetailleerde kaart van dit deel van West- Europa. Een kaart die later van onschatbare waarde zal blijken, hoewel de zorgvuldig getekende grenzen onmiddellijk worden aangevochten tijdens de eerste Belgische revolutie, de Brabantse Omwenteling, die uitbrak met de steun van zijn aangetrouwde familie.
Ferraris beweegt zich tussen de groten der aarde. Met Carte blanche schrijft kunsthistorica Karen De Coene niet alleen de biografie van een raadselachtig man, maar ook van die zinderende achttiende eeuw.
Ferraris is een intressante figuur. De titel va. Het boek belooft wat het zal doen, maar de schrijftstijl die de auteur hanteert zorgt er soms voor dat je verloren raakt in de verschillende contacten en kennissen uit het leven van de beruchte graaf. Het indrukwekkende leven van de graaf is zeker de moeite om te lezen, alleen wordt het soms langdradig.