Hoewel “Autobiografie van een flat” bepaald geen strakke compositie kent en heel associatief tot stand is gekomen, heb ik ervan genoten – steeds meer eigenlijk, toen ik eenmaal gewend was aan de stijl waarin Otto de Kat zijn mijmeringen op de lezer overbrengt. Die mijmeringen weten te boeien, zijn ontroerend en vertederend, en zullen bij menig leeftijdgenoot van de schrijver momenten van herkenning oproepen – en ook weemoedigheid (om Elsschot en Voskuil nog maar eens te citeren).
De titel van het boek moet natuurlijk niet al te letterlijk worden opgevat, ik ben geneigd hem in die zin te begrijpen dat de flatwoning in Rotterdam-Kralingen die De Kats ouderlijk huis vormde hem, toen hij er jaren na het overlijden van zijn moeder voor langere tijd terugkeerde, bij wijze van spreken van alles over zijn jeugd influisterde, zo niet dicteerde. Aldus vormde het ouderlijk huis als fysieke entiteit de schier onuitputtelijke bron van inspiratie voor wat uiteindelijk een hommage is geworden aan het ouderlijk huis als gezin, als een monument voor de vader, de moeder en de broer, alsook voor de twee decennia en de omgeving waarin De Kat zo’n gelukkige jeugd heeft mogen beleven. Een monument, ten slotte, waarin ook plaats blijkt ingeruimd voor de jong overleden boezemvriend E. en de innig geliefde Dietje. Indrukwekkend, al met al, om stil van te worden.