Sinds Tove Ditlevsens beklijvende Kopenhagen-trilogie had ik nog niets anders van haar vertaalde werk gelezen. Dat er nu ook poëzie van haar verscheen, vond ik een goede reden om dat opnieuw te doen. Het werd een beetje een tweeslachtige leeservaring, die uiteindelijk toch positief uitviel.
Een niet chronologische, uitgebreide bloemlezing als deze was volgens mij in elk geval de juiste keuze. Want misschien meer dan een poëtische reis wordt hier een sfeer, een vrouwenleven, misschien zelfs een Deense vorm van fado en saudade geschetst.
De tweeslachtigheid zit voornamelijk in de stijl van de gedichten. Zoals in het voorwoord al aangehaald gebruikte Tove Ditlevsen gedurende een bepaalde periode fragmenten uit volkse smartlappen en schreef ze gedichten op rijm die niet altijd even sterk uit de verf kwamen.
Maar zoals gezegd werd haar hele poëzie-oeuvre door elkaar gehusseld en dat is weldoordacht gedaan, waardoor je altijd wel opnieuw op een pareltje of een reeks overtuigende, ontroerende of dieper gravende gedichten stuit. En die zijn er genoeg, met uiteenlopende onderwerpen. Mijn favoriete gedicht werd 'Zondag', omdat ze zo juist beschrijft wat voor gevoel zondagen al sinds mijn kinderjaren in mij oproepen. Maar net zo goed vond ik 'Schaamluizen' geweldig.
De titel van de bloemlezing dekt perfect de inhoudelijke lading. Rode draad is de verloren kindertijd, het kwijtspelen van de sterke emoties en indrukken die ze als kind, puber en jongvolwassene beleefd heeft en waar ze vaak hartstochtelijk naar terugverlangt nu ze in de wereld van de volwassenen gevangen zit. Dat heeft iets tragisch en iets nostalgisch, maar die termen zijn te beladen voor deze poëzie. Opnieuw kom ik uit bij de melancholie van fado en saudade.
Dat laatste is deels ook te wijten aan een tweede thematiek, nl. die van de stad en de armere, rauwere buurten waar Ditlevsen opgroeide. Op die manier sloot de bloemlezing dan weer aan bij haar Kopenhagen-trilogie, met angsten, twijfels, kritiek op verwachtingspatronen en mannen, en vooral dat sterk en weerbarstig innerlijk oog als voornaamste drijfveren voor haar ars poëtica. 3,5*