Pioniers is een vermoeiend boek. De lovende recensies hebben het over analyses en 'het algemene' en de naamloosheid van de personages en verwijzen (mede daardoor) naar Nathalie Sarraute, waar ik verder niets kan over zeggen, want ik heb nog niets van haar gelezen.
Het boek bestaat uit een aanrijgen van scènes, die al dan niet iets met elkaar (kunnen) te maken hebben, maar die door de naamloosheid van veel noodzakelijke context zijn ontdaan. Dat, en het boek is zo verschrikkelijk objectief geschreven. En met objectief bedoel ik niet afstandelijk, maar wel degelijk objectief. Er zit geen greintje emotie in.
De scènes worden op die manier kille observaties, kouder nog dan neutraal. Een beetje zoals een fotograaf kleurcorrecties aanbrengt in een foto, en telkens de kleur geel uit de foto weghaalt om een zo neutraal —en in zijn gedachten dus ook— getrouw mogelijke weergave van de realiteit te bekomen. Maar met alle geel haalt hij ook alle warmte en sluipt er een blauwwitte kilte in de foto.
De naamloosheid van de personages (er komen twee namen voor in het boek: Simon, een jongen, en Boy, een hond) draagt ook niet bij tot beklijving. Ik weet het, het draagt wél bij tot de vervreemding, en ja, daar slaagt het boek helemaal in. De lezer vervreemdt volledig van alles: het verhaal, de personages, elke vorm van identificatie.
Het is een heel boeiend, maar verschrikkelijk vermoeiend experiment, en het was eigenlijk puur op wilskracht dat ik het einde van het boek gehaald heb. Wie aan dit boek begint legt zich eigenlijk ook die verbintenis op.