What do you think?
Rate this book


335 pages, Paperback
First published October 10, 2024
'Hier overzie ik mijn land, mijn water, mijn bestaan; alles wat geen einde kent. De smalle paden tussen bomen in hun dunste blad, de stranden en poelen waar ik zwem, de lente die aanwaait onder de koude hemel. De zon kan zo mooi in het zilveren water schijnen dat almaar onbekommerd stroomafwaarts gaat; de zwenkende dijken houden het amper bij.' p.9
'Ik bewoon de uiterwaarden, het halfland tussen de dijken. Het is terrein waar niemand wat aan heeft, droog en doorweekt tegelijk, schijnbaar onbeduidend, hooguit voor de pacht. Onbetrouwbare grond: wie daar komt is nooit zeker, behalve degene die zich overgeeft.' p.10

'Iedereen zal denken dat ik een visser ben, en overdag doe ik me voor als een wandelaar, Fido keurig aan de lijn. Verder is onzichtbaar blijven na een paar jaar zo gewoon geworden als ademen of slapen: een instinct.' p.33Een poëtische ode aan de natuur en haar kracht, over de einzelgänger en onze moeite met wie anders is. En over onze behoefte aan controle en bezetting of bezitten. En vooral een ode aan de rivier en de natuur. Is er eigenlijk nog natuur in Nederland? Overal kom je wandelaars, boswachters, fietsers, vissers en kamperende daklozen tegen. Wie beschermt wie eigenlijk: Beschermen de dijken ons tegen de rivieren en de natuur of is het juist andersom?
'Alle uiterwaarden van alle rivieren uitgeknipt en aan elkaar geplakt vormen samen de laatste wildernis, in een land dat zichzelf tot in de puntjes controleert. Er is weinig te halen, en alles tegelijk, daarom leef ik buitendijks.' p.11Heijmans schreef een roman met componenten uit de werkelijkheid: Een vader die van orchideeën houdt, een stad aan de Waal (Nijmegen), een schilder genaamd Den Ouden die langs de rivier schildert. Ik kende het werk van Willem den Ouden. Toevallig (?) overleed hij in de tijd dat ik dit boek las...

'Bloemen nemen nu snel mijn uiterwaarden over, wit en blauwpaars en rood, velden met grote klaprozen zag ik de afgelopen dagen ontstaan, als binnenzeeën, stoer rechtop onder een bijna wind- en wolkeloze hemel. De oogst van twee weken regen en nattigheid. Ze overmeesteren het grauw en trekken op naar de wakerdijk, die altijd even groen is, bijna van kunstgras, waar geen bloemen mogen bloeien uit angst dat ze het dijklichaam verzwakken. Ze hebben haast.' p.60
'Hoe oud ik was - tien, misschien elf of twaalf, bepalende jaren. De jongen die varens over zijn tent hing als camouflage, die rupsen raapte en ze liet verpoppen in een glazen terrarium, die een eendenkuiken vond op straat en opvoedde met Brinta-pap zodat het eendje hem overal kwakend volgde. Die bevriend raakte met een uit zijn nest gevallen jonge kauw, hem meenam naar school op zijn schouder en mee terug op het stuur van zijn fiets - de enige vriend die altijd op hem wachtte.' p.66-67
'Ik hoor in mijn uiterwaarden zoals de elft hier hoort, de boommarter, de aalscholvers, de bijenorchis, mijn zwarte populier.' p.68
'Mijn moeder, mijn vader. Ze zullen thuiskomen, het licht aandoen, de tassen opruimen, de telefoon in het doosje op de piano zetten, bij de post. Ze zullen aan tafel zitten en ik weet niet wat ze elkaar zullen zeggen. Of ze zwijgen.
En ik voel dat er iets gaat veranderen, maar ik begrijp niet wat dat kan zijn. Alles is gevoel, in mijn uiterwaarden.' p.73
'Zwem in de rivier en je begrijpt dat het vergeefs is. Het water wordt er alleen maar onstuimiger van.' p.82
'Sorry dat ik je zo overval, Willem, maar ik kan dit niet overdag doen, dat valt op'.
Ik zwijg.
'Liet ik je schrikken?'
'Luister eens: ik besta niet. Ik ben nergens bekend, ik leef helemaal op mezelf. U praat op dit moment met niemand. Het is vast goedbedoeld, maar hulp heb ik niet nodig'.' p.89
'Ik smijt de tablet achter in de tent en kruip naar buiten, kijk duizelig in de zon. De geur van hout en zand, van bloeiende rozen, het tevreden gebrom van de aalscholvers in hun nesten - het bestaat, het leeft. Ik leef, en besta, en ben niet in kaart gebracht. Ik niet.' p.100
'De beul knielt op één been en zaagt precies en beheerst, alsof hij zich ontfermt over mijn stervende boom. Bijna liefdevol houdt hij zijn jankende, walmende gereedschap in bedwang, en om hem heen daalt een krans neer van stof en splinters en spaanders: het pulver van vernietiging.' p.146
'Op blote voeten loop ik het water in, niet diep, tot mijn enkels, en voel de rivier. Dit is dezelfde rivier die me een paar dagen geleden probeerde te vermoorden, maar het is nieuw water, het oude is weggestroomd.' p.217
'Het is niet zoals het hoort. Het is alsof de planten en dieren zich verzetten tegen hun ondergang.' p.256
'De rivier kent geen wrok of mededogen. De rivier is alleen maar een opeenstapeling van omstandigheden.' p.323
'Hier overzie ik mijn land, mijn water, mijn bestaan, alles wat geen einde kent. De smalle paden tussen bomen in hun dunste blad, de stranden en poelen waar ik zwem, de lente die aanwaait onder de koude hemel. De zon kan zo mooi in het zilveren water schijnen dat almaar onbekommerd stroomafwaarts gaat; de zwenkende dijken houden het amper bij.'