Ik heb heel erg genoten van en veel gevoeld bij dit boek. Als ik het opende, waande ik me een 8-jarig meisje en ervaarde ik de wereld door haar ogen; ik hoorde wat zij hoorde, zag wat zij zag, lachte als zij lachte en soms als ze schrok, voelde wat zij voelde, haar ouders zo echt dat ik bijna vergat dat het niet de mijne waren, en mijn naam niet echt Frida. In het begin van het boek zijn er verschillende ‘soorten’ hoofdstukken, wat ik heel intrigerend vond en misschien wel nog opvallender vind ik de breuken in bijvoorbeeld het perspectief eenmalig gebeuren, en later niet meer. Waarom zou dat zijn? Daar moet ik nog even op broeden. Breder gezien wil ik sowieso nog een beetje nadenken over waar dit boek over ging. In een recensie las ik dat er misschien geen overkoepelend (! pun intended !) ‘verhaal’ is in dit boek, maar dat vind ik niet; op zijn allerminst gaat over Frida’s opvoeding, die eigenlijk van korte duur is omdat ze beide ouders op jonge leeftijd verliest (een als kind, de ander als jongvolwassene). In die zin snap ik ook wel dat het gros van boek (en dus haar opvoeding) gericht is op haar vroege jeugd, en wat minder op de rest. Naarmate ze ouder wordt, versnelt het boek en verander ook de toon of vorm van de verteller van het verhaal, ze stapt als wat ware vanachter het gordijn tevoorschijn, de grens tussen fictie en autobiografie vervaagt daarmee.
Over: ouders, rouw, literatuur, opgroeien, gevangenis, Nederland, familie, katten