Het was een schok toen Erwin Olaf vorig jaar onverwacht overleed, terwijl hij herstelde van een longtransplantatie. In de jaren tachtig en negentig werd hij bekend door zijn extravagante, soms seksueel expliciete foto’s. Hij liet zich inspireren door Robert Mapplethorpe, Hans van Manen en Paul Blanca en vond zijn muzen in discotheek Club RoXY te Amsterdam. Later ontwikkelde hij zich van rebelse avant-gardist tot gevierd kunstenaar. Honderdduizenden bezochten zijn exposities, van Den Haag tot Shanghai. Daarbij bleef hij zichzelf trouw als schepper van een eigen universum, die onvermoeibaar streed voor de rechten van de queer-gemeenschap.
Een progressieve longziekte maakte dat Erwin Olaf zijn nalatenschap op orde wilde brengen en meewerkte aan dit boek over zijn leven en zijn werk. ‘Ik hoef er niet geweldig uit te komen. Maar ik wil wel dat het klópt.’ Mischa Cohen volgde Erwin Olaf jarenlang en kreeg toegang tot zijn archief en tot zijn leven. Hij sprak met geliefden, vrienden, collega’s, galeristen, curatoren, muzen en familie, en was aanwezig bij fotoshoots. Samen selecteerden ze foto’s uit zijn oeuvre en privéleven. En tenslotte waren er de laatste, emotionele ontmoetingen in een steriele ziekenhuiskamer.
Mischa Cohen (1957) is redacteur van Vrij Nederland. Eerder schreef hij Mijn naam is Cohen (2011). Cohen werd tweemaal genomineerd voor de Tegel voor het beste journalistieke interview en won die prijs in 2014. Zijn verhaal over de redactie van Charlie Hebdo na de terreuraanslag werd genomineerd voor een Mercur, de prijs voor de beste tijdschriftreportage van het jaar.
Belachelijk dik journalistiek werkstuk waar ik maar in bleef lezen. Veel bewondering voor hoe de vele foto’s steeds op de juiste plaats het verhaal ondersteunen en enige verwondering over de mijns inziens overbodige verklarende noten die Cohen her en der bij zijn eigen tekst heeft geplaatst. Van dat laatste twee voorbeelden. In hoofdstuk 1 beschrijft Cohen het milieu waarin Erwin opgroeide: ‘Kunst hing er niet aan de muur van Stroeslaan 99 [in Hilversum], of het moest borduurwerk van moeder Lida zijn, die handig was met naald en draad. Op het Tomado-boekenrekje in het vierkamerappartement ontbrak de Bijbel, de Springvelds waren strikt ongelovig.’ (p. 20) Bij dat Tomado-boekenrekje plaatste Cohen de volgende noot: ‘Tomado – Van der Togt Massa Artikelen Dordrecht – was een Nederlands bedrijf voor moderne huishoudelijke producten voor de massa. Het originele boekenrek uit 1958 is in 2012 opnieuw in productie genomen.’ Je vraagt je af of de schrijver bevriend is met de producent, maar voor de hand liggender is dat hij een abonnement op Wikipedia heeft. Ik vind de noot absurd. Eerst zelf over een Tomado-boekenrekje beginnen (hij had net zo goed ‘In de boekenkast’, ‘Onder de boeken’ of ‘Op het nachtkastje’ kunnen schrijven), en dan zo’n stomme noot maken die voor mensen die er nog nooit van hebben gehoord (en dat zijn er steeds meer) niet echt behulpzaam is. Weird. Niet veel later in hetzelfde hoofdstuk gaat het over Hoevelaken, waar de familie in 1967 naartoe verhuist, dan schrijft Cohen: ‘Als pasbenoemd hoofdvertegenwoordiger van kantoormeubilair en plansystemen had Siem Springveld [de vader van Erwin] het dringende verzoek gekregen om op een centrale locatie te gaan wonen. En centraal gelegen wás Hoevelaken, zeker toen het befaamde klaverblad eenmaal was aangelegd.’ (p. 28) Hierna een nootcijfer, dus ik dacht in eerste instantie: mooi, een bronvermelding, maar ik kwam bedrogen uit. In de noot staat namelijk alleen een beknopte geschiedenis van knooppunt Hoevelaken. Natuurlijk kan dat, maar het slaat nergens op, bovendien had Cohen eerder op pagina 28 al genoeg informatie over Hoevelaken gegeven, ik citeer: ‘In dat dorp in de buurt van Amersfoort, landelijk vooral bekend als verkeersknooppunt en van de carnavalskraker ‘Polonaise Hollandaise’ van zanger Arie Ribbens, met de kreet ‘bij Hoevelaken linksaf’, werd in 1967 een nieuwe wijk opgeleverd.’ Ik schreef ‘genoeg informatie’, maar ik bedoel eigenlijk te veel. ‘Polonaise Hollandaise’ noemen is hier een persoonlijke associatie, die lezers misschien wel kunnen waarderen, maar als het gaat over de verhuizing van de familie Springveld irrelevant is. Het nummer was in 1967 nog niet geschreven en zou nog jaren ongeschreven blijven. Zo werd dat boek van Cohen dus belachelijk dik. Van harte aanbevolen.
Pfff... Ik heb deze baksteen van een boek uit. Met ruim 600 pagina's tekst en foto's wat aan de dikke kant. Wel goed en leesbaar geschreven maar wat te gedetailleerd. Het had wel een paar honderd pagina's minder gemogen.
Heb Erwin een paar keer ontmoet en hij maakte een enorme indruk op mij door zijn charisma en indringende blik. Zijn levensverhaal brengt mij terug in de tijd in Amsterdam, de homo scene en het was een feest van herkenning voor mij. Heel treurig dat hij zo kort heeft kunnen genieten van zijn nieuwe longen. Een bijzonder mens die erg gemist wordt. Dit boek geeft een eerlijke inkijk in zijn veelbewogen leven en zijn nalatenschap als fotograaf.
Prachtig portret, zeer leerzaam. zeer mooi uitgegeven, met heel veel beeld, vaak van Olaf, maar niet eens altijd. Vormt misschien wel een mooi drieluik met de recente biografieën over Theo van Gogh en Arjan Ederveen, die elkaar ook allemaal kenden. De vergankelijkheid van fotografie en van het lichaam van Erwin Springveld, zoals hij officieel heette, vormen tezamen de drijfveer van dit boek, dat zoals een goede biografie betaamt een portret van Nederland is.
Wat een heerlijk boek! Belicht alle aspecten van Erwin Olaf en zijn carrière. Niet altijd een makkelijke man zo te lezen, wel inspirerend. Ik kijk uit naar de langverwachte tentoonstelling in het Stedelijk in 2025. Finally.