Wat een adembenemend mooie biografie is dit! In Mathijsens soepel en doorleefd proza komt Betje Wolff weer helemaal tot leven, en met haar een heel tijdperk. Het maakt biografie zo een bijzondere tak van de geschiedschrijving: de geschiedenis komt in zijn particulariteit binnen, via de levenswandel en wederwaardigheden van de gebiografeerde. Wolff heeft zich tot haar laatste snik te pletter geschreven (daar vernemen we heel veel over via beschrijving en citaten). Ze las natuurlijk ook; op die manier krijgen we zicht op de literaire context waarin ze functioneerde. Ze bewonderde auteurs uit binnen- en buitenland, en nam vertaalwerk voor haar rekening (uit het Duits, Frans en Engels). Op de achtergrond klinkt een koor van bewonderaars en criticasters.
In haar literaire productie en correspondentie leren we een opgewekte en zelfzekere vrouw kennen. Ze heeft een groot hart, maar dat weerhoudt er haar niet van met uitgesproken meningen tegen de schenen van de goegemeente te schoppen. Ze heeft (naar onze normen) gematigde feministische opinies, verafschuwt de slavenhandel en schrijft onverbloemd over seksualiteit. Ze is scherp en heeft een fijn gevoel voor humor. Bovenal komt uit de verf hoe liefdevol ze over vrienden en vriendinnen schrijft. (Onbedoeld is deze biografie ook een hulde aan de vriendschap.)
Mathijsen heeft veel aandacht voor Betjes netwerk. (Mag ik ook Betje zeggen?) We leren haar familie kennen, aangetrouwde familie, en aangetrouwde familie van die familie. Wie waren de uitgevers? Wie de vrienden? Hoe kwamen contacten tot stand en hoelang duurden ze? En wat betekenden al die mensen voor haar persoonlijke en professionele leven? We reizen met haar mee, over het water en slechte wegen, zien haar verschillende keren verhuizen, bij vrienden intrekken of hen zelf onderdak bieden.
Dankzij de intensieve correspondentie in die tijd zijn sommige fascinerende en aandoenlijke details bewaard. We kennen de naam van Betjes eerste hondje. En ook die van haar tweede. Tegelijk is door de afstand van meer dan twee eeuwen ook heel wat informatie verloren gegaan. Om onverklaarbare redenen is ondanks al dat brieven schrijven uit een periode van negen jaar welgeteld één brief overgeleverd. De hiaten leiden – na een diepe zucht van de biograaf – tot beredeneerde speculatie… en een intrige voor de lezer. Eén keer wordt die er zelf bij betrokken: “Ik ga u een raadsel voorleggen waar noch ik, noch de geleerde meelezers die ik geraadpleegd heb, uit zijn gekomen,” schrijft Mathijsen. Waar was Betje? We mogen even Poirot spelen (of passender: Mrs. Marple).
Ook de onherroepelijkheid van de geschiedenis zorgt voor spanning. Wanneer reist Betje met haar gezelschap naar Frankrijk? In het jaar 1788. We weten wat Frankrijk dan te wachten staat. De opwinding en de Terreur van de revolutionaire jaren dringen tot in Betjes leven door. Het levert een unieke kijk op die jaren op. Hetzelfde geldt voor het politieke tumult in haar vaderland.
De eerste (en de laatste) keer dat ik met Betje Wolff (en haar schrijverspartner Aagje Deken) kennismaakte was toen voor een literatuurvak tijdens mijn opleiding hun Sara Burgerhart zonder al te veel context op een leeslijst was geplaatst, alsof daarmee de achttiende eeuw ‘gecoverd’ moest worden. Ik heb deze brievenroman, die mij even ingesnoerd leek als de eeuw waarin die tot stand was gekomen, nooit uitgelezen (mijn excuses, professor Bousset). Dat hoop ik bij deze te hebben goed gemaakt. Waarmee ik uiteindelijk maar wil zeggen: alle snoeren in deze biografie liggen los. Geen enkele keer levert die droge kost. Lees hem, en zie bevestigd hoe de levenswandel, het karakter en de opinies van een individu haast nooit samenvallen met de clichés over de tijd waarin de vrouw of man in kwestie leefde.
(Uitstekende uitgave: rijkelijk geïllustreerd, eindnoten, bibliografie incl. gepubliceerde werken van Wolff en Deken en vertalingen van Wolff, personenregister)