Dit boek is het eerste van de reeks “Het bureau”.
Meer dan 500 blzn. over Maarten Koning die gaat werken bij een overheidsdienst.
Zeer herkenbaar voor mij, goed geschreven ook, maar toch wat te lang. Het blijft maar duren en er gebeurt niet méér dan in het gewone leven.
Elke keer als ik dacht “Dit is toch al te saai”, kwam er weer een beter stuk, zodat ik het toch maar helemaal uit las.
De stukken die in het dialect geschreven zijn (de spreektaal van een boer die ze gaan interviewen) zijn onleesbaar en ze zijn ook niet nodig om het verhaal te kunnen volgen.
Hier en daar, zeker naar het einde toe, heb ik wat diagonaal gelezen.
Het boek geeft een goed tijdsbeeld: begin jaren ’60: fichebakken, schrijfmachines, carbonpapier, de weerzin tegen een bandrecorder… (30 jaar later was er een even grote weerzin tegen de eerste computers.)
De vrouw van de hoofdpersoon is wel een beetje ongeloofwaardig. Zij is uitdrukkelijk alleen maar “de vrouw van”, goed om thee te zetten en af en toe mee te gaan naar uitstapjes met het Bureau.
Ze is huisvrouw, zonder kinderen, en lacht met de mannen mee als die zeggen dat ze zeer goed is in ‘niets doen’. Een karikatuur dus.
Nu ik dit zo aan het schrijven ben, besef ik dat het hele boek eigenlijk een karikatuur is.
Ook de andere karakters in het boek zijn karikaturen: de collega met psychische problemen, de vrouwelijke collega, meneer Beerta, enz.
Maarten vindt zijn job onzin, maar hij stopt er wel veel tijd in, met talloze vergaderingen buiten de reguliere arbeidstijd.
Maarten is gelukkig. Maarten is diep ongelukkig. Maarten is toch weer wél gelukkig.
De rest van deze serie laat ik maar aan mij voorbij gaan.