Twee Russische monniken, een zanger en een schilder, vluchten voor de Tataren. Zij komen terecht in diverse Europese steden, waar ze getuigen zijn van het excentrieke gedrag van mensen die geloven in het einde der tijden. Telkens opnieuw worden ze bedreigd en moeten ze vluchten. Uiteindelijk belanden ze in een abdij in het Vlaamse Ehinham, waar ze gastvrij worden ontvangen. Ook daar neemt echter de dreiging toe: er breekt een zondvloed uit, de paters gedragen zich als perverten in een gekkenhuis, de abt is een mythomaan omringd door lustengelen, en de enige non zoekt op haar eigen manier naar haar mystieke ziel. Ten slotte worden de Russische monniken weer voortgedreven door het noodlot. Hoe sneller ze aan de waanzin willen ontsnappen, hoe waanzinniger hun bestaan wordt. De cirkel zal zich sluiten, maar de apocalyps zal wel heel dicht in de buurt komen. Een houtblok, afkomstig van Christus' kruis, speelt bij dit alles een beslissende rol.
Wat een klucht. Vond ik de Booses andere boek nog wel leuk (Het Vloekhout), in dit boek vindt de schrijver zichzelf veel te grappig en slim. Verder is het boek zo smerig dat ik twijfel of het niet de Booses fetisj is die zich openbaart. En Auschwitz misbruiken voor een clever schrijfgrapje is goedkoop en guur. Ergens in het boek wordt De Naam van de Roos genoemd. Mocht de Boose willen dat dit gedrocht maar in de buurt kwam.
Op zich en op eerste zicht een aan te raden boek. Goede plot, de man schrijft wel als een dichter, voor de doorsnee prozalezer is dit even wennen. Twee minpunten, helaas: er staan enkele fouten in die de redacteur bij de uitgever over het hoofd heeft gezien. Er staat verder ook een hoofdstuk in over een Europese top in Polen. Dat hoofdstuk zou moeten uit het boek geschrapt worden. Het stoort en voegt niets toe aan de ontwikkeling van het verhaal. Het einde is alvast subliem.