In ‘De Saksen’ gaat Luit van der Tuuk op zoek naar de Saksische collectieve identiteit. De term ‘de Saksen’ wordt door de geschiedenis heen vrijelijk gebruikt, maar wat – of beter wie – we daartoe rekenen verschilt al sinds de oudheid. Niets blijkt zo kneedbaar als deze term in vroegmiddeleeuwse geschriften, die vaak gekleurd zijn door een politieke agenda. Wie waren deze Saksen? Hoe leefden ze? En wat maakte hen zo interessant voor grootheden als Karel de Grote? Van de drie bekendste middeleeuwse bevolkingsgroepen uit het Nederlandse taalgebied – de Franken, de Friezen en de Saksen – is er geen zo enigmatisch als de Saksen. Van der Tuuk legt feit en fabel naast elkaar en ontrafelt zo de geschiedenis van een veelzijdig volk.
Luit van der Tuuk (1954) is een Nederlands schrijver van populairwetenschappelijke boeken die zich vooral richten op de vroegmiddeleeuwse geschiedenis van Noordwest-Europa.
Hij schreef onder andere over Franken, Friezen en Vikingen. Zijn boek, De eerste Gouden Eeuw, handel en scheepvaart in de vroege middeleeuwen is bekroond met de W.A van Es-prijs voor het beste boek van 2013 in de populairwetenschappelijke categorie. Verder leverde hij bijdragen voor Jaarboek van Xanten en voor Bijdragen en mededelingen Gelre.
Luit van der Tuuk is vrijwillig conservator van Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede.
Dit boek maakt deel uit van een reeks ‘Middeleeuwse geschiedenis van de Lage Landen’. En die aanduiding roept bij mij het voornaamste bezwaar op bij dit boek. Het gaat vooral om de vraag wie die Saksen nou eigenlijk waren. Niet een etnische eenheid of een politiek gemotiveerd stammenverbond. Het is zelfs maar de vraag of de Saxones, zoals de Romeinen hen noemden, dezelfde bevolkingsgroep was als de Saksen, die steeds weer de wapens opnamen tegen de Frankische krijgsmachten. Pas in de tijd van Karel de Grote en de periode daarna lijkt er een Saksisch zelfbewustzijn te zijn ontstaan. Dat verhaal over de Saksische identiteit wordt door Luit van der Tuuk goed over het voetlicht gebracht, met veel anekdotische passages. Maar er wordt maar weinig verteld over het oostelijk deel van de Lage Landen, waar er toch zoiets is geweest (en nu nog herkenbaar is) als een Saksische volksaard. Deventer, Zutphen en Zelhem krijgen een bescheiden plekje in dit boek en ook de graven van Hamaland duiken hier en daar op, maar daar blijft het bij. Het zou bijvoorbeeld interessant zijn geweest om iets meer te vermelden over de gewoontes en gebruiken in het oosten van het land, om daarmee toch de eigenheid meer te laten zien. Of dat dan weer typisch Saksisch is, dat kan ik niet goed beoordelen, maar het is, naar mijn idee, zeker een overweging waard.